Internationale nalatenschappen – opletten met buitenlandse situsgoederen (Rb. Antwerpen 15 april 2016)

In Archiefby robert

Door de erfrechtverordening gelden er in de EU sinds medio 2015 uniforme regels om de toepasselijke erfwet aan te duiden. De erfrechtverordening biedt geen echter geen oplossing voor situaties waarin dubbele erfbelasting aan de orde is. Het EU Hof van Justitie oordeelde eerder al dat situaties die aanleiding geven tot dubbele successierechten geen inbreuk vormen op de Europese vrijheden.
België heeft zeer weinig internationale overeenkomsten gesloten ter vermijding van dubbele successierechten (enkel het verdrag met Frankrijk is nog relevant). Intern voorziet de VCF in een verrekening van de in het buitenland betaalde successierechten, maar die verrekening is beperkt tot successierechten betaald op onroerende goederen (zie art. 2.7.5.0.4 VCF – art. 17 W.Succ. in Brussel en Wallonië). Er zijn dus talrijke grensoverschrijdende situaties denkbaar waarin een dubbele heffing alsnog aan de orde is.
Een recent vonnis van de Antwerpse rechtbank illustreert dit. De nalatenschap van de erflater met laatste woonplaats in België omvat zowel in België als in Spanje roerende en onroerende goederen. De successierechten zijn verschuldigd op het wereldwijd vermogen van de erflater, met inbegrip van de Spaanse onroerende goederen en de Spaanse roerende goederen (bv. Spaanse bankrekeningen). Bij toepassing van art. 17 W. Succ. (tegenwoordig art. 2.7.5.0.4) werden de successierechten in België, in de mate waarin het in Spanje onroerende goederen betreft, verminderd met het bedrag van de in Spanje geheven belasting. De erfgenamen achten het discriminatoir en strijdig met de EU-vrijheden dat België de verrekening voor de buitenlandse successierechten beperkt tot onroerende goederen.
De rechtbank verwijst naar de eerdere rechtspraak van het EU Hof van Justitie om te stellen dat de lidstaten niet verplicht zijn om hun belastingstelsel aan te passen aan de verschillende belastingstelsels van de andere lidstaten om dubbele belasting als gevolg van de parallelle uitoefening door deze staten van hun fiscale bevoegdheden te voorkomen (EU HvJ 12 februari 2009). Verder is de rechtbank van oordeel dat de regeling niet moet voorgelegd worden aan het Grondwettelijk Hof omdat het verschil in behandeling tussen onroerende goederen en roerende goederen op een objectief criterium berust dat redelijk verantwoord is. De overeenkomst tussen België en Frankrijk zou België ook niet verplichten om een overeenkomst met Spanje te sluiten, zodat de rechtbank dan ook niet gehouden is tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Het is voorlopig afwachten of de erfgenamen hoger beroep zullen instellen tegen dit vonnis.