Praktisch werken met de Kaaimantax

In Archiefby robert

De Kaaimantax is met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 ingevoerd. Ook voor Nederbelgen kan deze Kaaimantax van belang zijn. Als inwoners van België zijn zij in België belastingplichtig en is de Kaaimantax van toepassing op het moment dat een Nederbelg ervoor heeft gekozen om vermogen onder te brengen in een (laagbelaste) juridische structuur. Deze persoon wordt voor de Kaaimantax ook wel “de oprichter” genoemd.

 

Hoewel de Kaaimantax een aantal gelijkenissen heeft met de Nederlandse doorkijkregeling voor APV’s (afgezonderde particuliere vermogens), zijn er ook een aantal opvallende verschillen. Het belangrijkste verschil is de heffing van 25% (vanaf 2016: 27%) die in een aantal gevallen op kan treden bij een uitkering door een juridische structuur aan een Belgische inwoner.

 

In deze bijdrage leggen wij de hoofdlijnen van de Kaaiman uit. Verder laten we een aantal eenvoudige mogelijkheden zien om de gevolgen van de Kaaiman te verminderen.

 

De werking van de Kaaiman

De Kaaimantax heeft als doel om een fiscale regeling te maken voor doelvermogens, onder de Kaaimantax “juridische constructies” genoemd. Dergelijke juridische constructies, zoals een trust, een stiftung of een offshorevennootschap worden ook wel “zwevende” vermogens genoemd. De Kaaimantax werkt in drie hoofdlijnen als volgt:

 

  1. De Trust wordt transparant

Als u vermogen in een trust of een trustachtige figuur (dit is geen rechtspersoon) heeft ondergebracht, dan is deze vanaf 2015 fiscaal transparant. Het inkomen dat de trust in 2015 en later realiseert moet, in hoofdregel, van jaar tot jaar door de oprichter worden aangegeven in zijn persoonlijke aangifte Personenbelasting. Hij betaalt hier in België personenbelasting over als ware het zijn privévermogen. Een uitkering door de trust aan deze oprichter blijft overigens verder onbelast.

 

  1. Aangewezen rechtspersonen worden ook transparant

Als u vermogen in een ander soort juridische constructie (zijnde wel een rechtspersoon) heeft ondergebracht (met als voorbeelden een Stiftung, een Curaçaose SPF of een laagbelaste offshore Limited), dan is die juridische constructie in hoofdregel ook fiscaal transparant net als de trust. Ook hier moet de oprichter de inkomsten aangeven in de Personenbelasting. Echter, deze juridische constructies hebben de mogelijkheden om tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door te bewijzen dat zij belast worden over hun inkomsten tegen minimaal 15% (berekend naar Belgische normen). Als zij dit kunnen bewijzen, dan vervalt de fiscale transparantie. Rechtspersonen kennen dus de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling, terwijl de trust dit niet kan.

Deze tegenbewijsregeling staat (bij wijze van uitzondering) niet open voor de volgende drie rechtspersonen: de Liechtensteinse Anstalt en Stiftung, en daarnaast ook niet voor de Luxemburgse SPF.

 

  1. Rechtspersonen die een uitkering doen

Een trust kan zonder verdere belastingheffing uitkeren aan de oprichter. Rechtspersonen kunnen dit onder de Kaaimantax niet altijd. De Kaaimantax stelt namelijk dat een uitkering ook belast kan worden, waarbij die uitkering wordt belast tegen 25%. In het kader van de taxshift wordt dit percentage in 2016 verhoogd naar 27%.

Deze uitkering wordt echter niet belast voor zover het gaat om (1) fiscaal gekend vermogen dat in het verleden door de oprichter in de rechtspersoon is gestort en/of om (2) de uitkering van inkomsten die al belast zijn geweest bij de oprichter door toepassing van de Kaaimantax.

 

Voorbeeld

In een vereenvoudigd voorbeeld zou dit als volgt moeten uitwerken:

X heeft in 2005 van zijn ouders € 1 miljoen aan fiscaal gekend vermogen geërfd, waarover hij successierecht betaald. Dit vermogen heeft hij vervolgens gestort in een Limited in Panama, die het vermogen is gaan beleggen. Deze Limited betaalt geen belasting. Op 1 januari 2015 is het vermogen gegroeid tot € 1,5 miljoen. In 2015 wordt door de Panamese Limited € 40.000 aan (netto-) dividend ontvangen. Begin 2016 keert de Limited het volledige bedrag van € 1.540.000 uit aan X.

 

Uitwerking:

Het gaat hier om een rechtspersoon die geen belasting betaalt. Daarom moet X in 2015 eerst € 40.000 in de aangifte Personenbelasting opnemen. Deze € 40.000 wordt belast tegen 25%. Hij moet dit bedrag uit zijn eigen vermogen betalen, ook al wordt dit bedrag door de Limited ontvangen.

 

De uitkering die X aan het begin van 2016 ontvangt ter hoogte van € 1,54 miljoen is ook belastbaar, en wel tegen 27% in verband met de belastingverhoging. Van deze ontvangst van € 1,54 miljoen mag hij eerst een bedrag van € 40.000 aftrekken, want hierover heeft hij in 2015 al belasting betaald onder de Kaaimantax. Daarnaast kan hij ook nog € 1 miljoen aftrekken, want dat is in het verleden door hemzelf gestort. Hij betaalt bij het ontvangen van een uitkering in 2016 van € 1,54 miljoen over € 500.000 belasting tegen een tarief van 27%.

 

Eenvoud in theorie?

In het bovenstaande voorbeeld lijkt de uitwerking van de Kaaiman nog vrij eenvoudig. In de praktijk zullen zich wel een aantal vragen voor gaan doen. Wij noemen er drietal:

  1. Hoe moet de inwoner van België te weten komen welke inkomsten er onder de Kaaimantax aan moeten worden geven? De inkomsten die worden ontvangen zijn van de juridische constructie. De Belgisch inwoner moet er dan op één of andere manier achter zien te komen wat de inkomsten (vastgesteld naar Belgische normen) zijn geweest.
  2. Vervolgens zal hij ook het geld moeten hebben om de extra Belgische Personenbelasting te betalen. Het vermogen in de structuur is niet van hem, zodat dit vermogen in beginsel niet beschikbaar is om zijn persoonlijke belastingen te betalen. Hij kan dus zomaar veel belasting moeten betalen over vermogen dat hij niet eens heeft en wellicht ook nooit zal krijgen.
  3. Voor rechtspersonen worden uitkeringen niet belast als het gaat om uitbetaling van fiscaal gekend vermogen dat in het verleden in het juridische constructie is gestort. Echter, het kan al lang geleden zijn dat er vermogen is gestort en het zal de vraag zijn of nog kan worden aangetoond welk bedrag er exact gestort is en vervolgens ook nog dat dit gestorte bedrag fiscaal gekend vermogen was (geen zwart geld).

 

Mogelijkheden met de Kaaiman

De problematiek met de Belgische Kaaimantax kan uiteraard worden opgelost door te verhuizen uit België naar een ander land, bijvoorbeeld naar Nederland. Echter, voor niet iedereen zal dit een aansprekende oplossing zijn. We noemen nog een aantal andere mogelijkheden.

 

Het structureren van vermogen van de juridische constructie

Door de Kaaimantax wordt de persoon die het vermogen in de juridische constructie heeft ingebracht persoonlijk belast voor de inkomsten van die juridische constructie. Het belastbare inkomen wordt daarbij vastgesteld naar Belgische normen. Een eerste mogelijkheid ligt erin om het vermogen van de juridische constructie zo te structureren dat het voor de fiscale transparantie weinig of geen belastbaar inkomen meer opbrengt:

  • Zo kan de juridische constructie ervoor kiezen om haar beleggingen zo vorm te geven dat er zo min mogelijk belaste inkomsten meer zijn zoals rente of dividend. Hoewel rekening moet worden gehouden met de volgend jaar in te voeren Speculatietax, kan er worden gekozen voor fondsen en beleggingen die gaan voor waardevermeerdering en niet voor uitkeringen. Deze waardevermeerderingen kunnen onbelast blijven;
  • Ook kan er worden gekozen voor bepaalde verzekeringsproducten (bijvoorbeeld Tak-verzekeringen), waarvan de opbrengsten onder voorwaarden onbelast kunnen blijven.
  • Tenslotte zou kunnen worden gekozen om vermogen te storten in een specifiek beleggingsfonds van de juridische constructie zelf. Een mogelijkheid is de Nederlandse Vrijgestelde Beleggingsinstelling (VBI). Dit is een reguliere Nederlandse NV die ervoor kan kiezen om vrijgesteld te worden van Nederland vennootschapsbelasting en van Nederlandse dividendbelasting. De juridische constructie kan haar beleggingen storten in de VBI die hiermee onbelast kan beleggen. De VBI kent overigens wel een aantal voorwaarden. Een voorwaarde die in ieder geval van belang is, is dat de VBI meer dan één aandeelhouder moet hebben, waarbij een tweede aandeelhouder minstens een belang moet houden van 10%.

 

Kinderen in Nederland

Veel Nederbelgen hebben familie, bijvoorbeeld kinderen, woonachtig in Nederland. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de jaarlijkse inkomsten van de juridische constructie worden uitgekeerd aan niet in België woonachtige familieleden. Indien de inkomsten van een jaar namelijk worden uitgekeerd aan een niet-inwoner van België, dan worden deze inkomsten niet belast bij de oprichter. Dit is ook begrijpelijk omdat hij nooit van deze inkomsten zal kunnen genieten. Het is dan aan het land waar de inkomsten worden ontvangen om belasting te heffen over deze inkomsten naar het wettelijke systeem van dat land. Het uitkeren van deze inkomsten zou, volgens de wettekst, wel moeten gebeuren in het jaar dat die inkomsten ook werden verdiend. Het uitkeren van de inkomsten in het jaar daarna lijkt te laat te zijn.

 

Deze mogelijkheid kan gunstig samenlopen met de Nederlandse APV-wetgeving, omdat Nederland in de meeste gevallen geen belasting zal heffen over het ontvangen bedrag. Nederland kent namelijk niet, net als België, een bijkomende heffing bij uitkering. Dit zou anders kunnen worden op het moment dat de uitkering kan worden gezien als een (onverplichte) periodieke uitkering van een rechtspersoon. Deze oplossing kan daarom in sommige situaties problematisch worden als er jaarlijks een uitkering plaatsvindt aan dezelfde persoon in Nederland. Deze uitkering kan dan onder omstandigheden worden gezien als een periodieke uitkering die wordt belast tegen de progressieve tarieven in box 1 (oplopend tot 52%). Deze heffing als periodieke uitkering speelt dan overigens weer niet als ze afkomstig is van een trust (want dat is geen rechtspersoon).

 

Niet alle landen zullen in aanmerking kunnen komen voor deze oplossing. Alleen uitkeringen aan inwoners van landen van de EER of aan inwoners van landen waarmee België een specifieke regeling heeft afgesproken om fiscale inkomensinformatie uit te wisselen komen in aanmerking. België wil uiteraard kunnen controleren of de uitkering ook werkelijk aankomt bij een inwoner van dat land, om te voorkomen dat misbruik van deze aftrekmogelijkheid wordt gemaakt. Als dat te controleren is, stelt België verder geen eisen aan hoe in dat land al dan niet belasting wordt betaald over de ontvangen uitkering.

 

Kinderen in Nederland betalen lijfrente aan ouders

In de vorige oplossing werden de kinderen (of andere familieleden) in Nederland eigenaar van het vermogen. Echter, het kan ook wenselijk zijn dat de ouders geld uit het vermogen ontvangen om van te leven.

De oplossing kan er dan uit bestaan dat de juridische constructie haar vermogen uit gaat keren aan de in Nederland wonende kinderen onder een last. De last bestaat eruit dat de kinderen een uitkering (lijfrente) gaan betalen aan de ouders in België, die uiterlijk eindigt bij het overlijden van de ouders. Dit houdt feitelijk in dat de kinderen vermogen ontvangen, maar in ruil daarvoor de plicht krijgen opgelegd om aan de ouders een (levenslange) uitkering uit te betalen. Met deze uitkering kunnen de ouders voorzien in hun levensonderhoud. De kinderen betalen de uitkeringen uit (de inkomsten van) het ontvangen beleggingsvermogen.

 

Fiscaal kan dit ook gunstig uitwerken. In de eerste plaats kunnen de lijfrente-ontvangsten bij de ouders onbelast blijven. In België zijn lijfrente-inkomsten in principe wel belastbaar, maar als de lijfrente wordt betaald door een natuurlijke persoon dan geldt een uitzondering. Lijfrentes van een natuurlijke persoon behoren in België niet tot het belastbare inkomen, waardoor de lijfrente bij de ouders niet leidt tot belastingheffing in België.

 

Vervolgens is voor de kinderen deze optie ook interessant. De kinderen ontvangen vermogen waarvoor zij worden belast in box 3. Tegelijkertijd met het vermogen krijgen ze ook de verplichting tot betalen van de lijfrente aan de ouders. Die verplichting wordt gezien als een schuld in box 3. De schuld bestaat uit de plicht om een lijfrente uit te keren. Afhankelijk van de hoogte van de verplichting aan de ouders, kan de waarde van deze schuld oplopen tot (omstreeks) de waarde van het ontvangen vermogen. Dit werkt in de praktijk niet één op één tot exact gelijke bedragen uit omdat de box 3-regels voor de waardering van een lijfrenteschuld anders zijn dan voor beleggingsvermogen. Desalniettemin kunnen in dat geval bezittingen (ontvangen beleggingen) en schuld (plicht tot lijfrentebetalingen) in ieder geval grotendeels tegen elkaar worden weggestreept, waardoor de belastingheffing bij de kinderen in box 3 heel laag kan blijven.

 

Indien er wordt gekozen voor de oplossing met de verplichting tot betalen van een lijfrente, dan zal de lijfrente eindigen als de lijfrentegerechtigde zou komen te overlijden (in België). Op dat moment vervalt voor de kinderen de verplichting om een lijfrente uit te keren en is het resterende vermogen vrij voor hen beschikbaar. Over het eindigen van deze lijfrenteverplichting wordt dan geen erfbelasting geheven in België. Let wel, als de ouders voor overlijden (terug) zouden verhuizen naar Nederland, dan kan dit anders worden. De Kaaimantax geldt namelijk niet voor de Vlaamse Successiewet, maar de Nederlandse APV-wetgeving (met fiscale transparantie) is wel van toepassing op de Nederlandse Erfbelasting.

 

Afsluiting

De nieuwe Kaaimantax is ingevoerd en een worsteling met de Kaaiman kan leiden tot nare happen uit het vermogen van Belgische inwoners. Deze worsteling kan ook leiden tot een overkill aan te betalen belasting. Een Kaaiman is niet te temmen, maar met de oplossingen in deze bijdrage kunt u er wellicht wel goed mee werken.