Hoofdelijke aansprakelijkheid van erfgenamen voor erfbelasting opnieuw in het geding

In Archiefby robert

In de VCF (voorheen het Wetboek Successierechten) bestaat een bijzondere aansprakelijkheidsregeling in hoofde van de erfgenamen, de algemene legatarissen en de algemene begiftigden in de nalatenschap van een Rijksinwoner. Zij zijn samen en ieder in verhouding van hun erfdeel aansprakelijk voor de gezamenlijke rechten en intresten die verschuldigd zijn door de legatarissen en begiftigden onder algemene titel of onder bijzondere titel.

 

Het Grondwettelijk Hof besloot reeds in 2011 dat deze regel niet discrimineert in de mate dat erfgenamen, algemene legatarissen en algemene begiftigden zich er van kunnen vergewissen dat de successierechten door de legataris onder bijzondere titel worden betaald. De legataris onder bijzonder titel zal immers de afgifte van het goed dat hem toekomt moeten vragen aan de erfgenamen. Hetzelfde arrest oordeelt echter dat de bijzondere aansprakelijkheidsregeling, in samenhang met artikel 8 W.Succ., wel een discriminatie uitmaakt. De zaak betrof een tegoed van een groepsverzekering dat als een ‘fictief legaat’ aan het actief van de nalatenschap moest worden toegevoegd. Voor de afgifte van dit tegoed moest de derde begunstigde (die bijgevolg als een legataris onder bijzondere titel moet worden geschouwd) geen afgifte vragen bij de erfgenamen en kon hij het pensioenkapitaal rechtstreeks bij de verzekeraar opvragen. Bijgevolg konden de erfgenamen zich er niet van vergewissen dat de genieter van het tegoed zijn deel van de successierechten zou betalen.

 

De wetgever heeft vervolgens de wettekst aangepast door uitdrukkelijk te vermelden dat de bijzondere aansprakelijkheidsregeling niet meer van toepassing is op situaties waarbij een verkrijging op grond van artikel 8 W.Succ. met een legaat moet worden gelijkgesteld. Deze wetswijziging is zowel federaal doorgevoerd, als in de VCF.

Recent heeft de Rechtbank te Antwerpen een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof, waarbij het een schenking betrof die de erflater nog kort vóór zijn overlijden had gedaan. Naast het reeds besproken fictief legaat, dienen ook schenkingen die zijn gedaan in de verdachte periode voor het overlijden (3 jaar of 7 jaar indien het de schenking van aandelen en activa van familiale ondernemingen of vennootschappen betreft in Vlaanderen) en waarop geen schenkbelasting is betaald, bij het actief van de nalatenschap te worden toegevoegd. Ook in deze situatie kunnen de erfgenamen zich er niet van vergewissen dat de begunstigde van de schenking de later verschuldigde erfbelasting zal voldoen. Afwachten dus of het Grondwettelijk Hof ook in deze zaak tot schending zal besluiten.