Europees Hof van Justitie: niet-ingezetene recht op teruggave Nederlandse dividendbelasting

In Archiefby robert

HvJ EU 17 september 2015

 

In een drietal zaken heeft de Europese rechter zich uitgesproken over de vraag of Nederland de Nederlandse dividendbelasting soms, voor een deel, terug moet betalen aan niet-inwoners. De uitspraak ligt in lijn met de eerdere Conclusie van de Advocaat-Generaal.

Als een inwoner van Nederland dividend ontvangt uit een Nederlandse vennootschap, dan kan deze de dividendbelasting in de aangifte inkomstenbelasting volledig verrekenen met de in totaal te betalen belasting.

Als een niet-inwoner daarentegen dividend ontvangt uit een Nederlandse vennootschap, dan kan de Nederlandse dividendbelasting niet in Nederland met de totaal te betalen belasting worden verrekend.

 

De conclusie is dan ook dat er een verschil is in behandeling tussen een wel of niet-ingezetene van Nederland. Daarbij stelt het Hof ook nog dat de Nederlandse dividendbelasting in België niet (volledig) verrekend kan worden. De niet-inwoner kan daardoor slechter af zijn dan een inwoner van Nederland.

 

Het Hof van Justitie bepaalt dan ook dat recht op teruggave van (een deel van de) Nederlandse dividendbelasting kan bestaan. Daarvoor moet een vergelijking worden gemaakt tussen de belasting in box 3 die zou worden betaald over de betreffende dividenden bij wonen in Nederland, tegenover de in dat jaar werkelijk ingehouden dividendbelasting op alle Nederlandse aandelen. Als de box 3-heffing volgens die berekening dan lager is, zou Nederland het verschil terug moeten betalen. Bij de vergelijkingsberekening moet ook rekening worden gehouden met bijvoorbeeld het heffingsvrije vermogen. Dit betekent dus dat het van jaar tot jaar verschil kan maken of er wel of niet recht zou zijn op een teruggave en tot welk bedrag.

 

In niet alle gevallen zal deze uitspraak leiden tot recht op een teruggave vanuit Nederland. Heel grof gezegd moet namelijk 15% heffing over dividend worden vergeleken met een heffing van 30% op een fictief rendement van 4%. Daardoor moet het werkelijke dividend vaak al richting de 8% (= 30%/15% * 4%) om voordeel te hebben.

In het algemeen zal deze uitspraak vooral interessant kunnen zijn voor:

  • Kleine vermogens, omdat daar de belasting in box 3 laag zal zijn bijvoorbeeld door het heffingsvrije vermogen
  • Grotere vermogens als er sprake is van hoge dividenduitkeringen.