Dubbele belasting dreigt voor de verzekeringsgift in Vlaanderen

In Archiefby robert

Nu de Vlaamse Belastingdienst (Vlabel) sinds 1 januari 2015 instaat voor de inning van de erfbelasting en (bepaalde) registratiebelastingen, neemt zij ook administratieve standpunten in. Deze wijken soms af van federale beslissingen, vaak in het nadeel van de belastingplichtige. Zo ook voor wat betreft het standpunt dat Vlabel recent heeft ingenomen met betrekking tot de zogenaamde ‘verzekeringsgift’.

In België worden beleggingsverzekeringen, zoals ‘tak 21’ en ‘tak 23’-verzekeringen, vaak gebruikt als instrumenten van vermogensplanning. In de praktijk kiest men voornamelijk voor een zogenaamde ‘AAB-configuratie’. Dit houdt in dat vader (de verzekeringnemer A) een levensverzekering afsluit op zijn hoofd (het verzekerd hoofd A) in het voordeel van zijn dochter (de begunstigde B). Vader bedingt dus ‘ten behoeve van een derde’. Door een fictiebepaling in de wet wordt een uitkering uit dergelijk contract aan erfbelasting onderworpen, ook al ontvangt de dochter de sommen strikt genomen niet uit de nalatenschap. Daarop bestaat één uitzondering: er is toch geen erfbelasting verschuldigd als de sommen, renten of waarden die zijn uitgekeerd ingevolge het beding aan schenkbelasting onderworpen zijn geweest.

 

Om die reden werd in het verleden vaak gekozen voor de techniek van de zogenaamde ‘verzekeringsgift’. Daarbij schenkt vader zijn rechten als verzekeringsnemer in een AAB-polis aan zijn dochter via akte voor een Belgische notaris (dus met betaling van 3% schenkbelasting op de afkoopwaarde van de polis op datum van de schenking). Zijn dochter wordt vervolgens zowel verzekeringsnemer als begunstigde. De polis wordt aldus omgevormd in een ABA-polis, waarbij de dochter bedingt ten behoeve van zichzelf. Is de fictiebepaling dan nog van toepassing wanneer de dochter (A) bij overlijden van vader (B) een uitkering ontvangt? De meerderheid van de auteurs meent van niet, aangezien de schenking alle rechten op de polis heeft doen overgaan van vader op dochter. De dochter is bijgevolg geen derde meer aan de overeenkomst. Dit is ook wat de federale belastingdienst in 2013 verkondigde, namelijk dat ‘het initieel beding ten behoeve van een derde is omgezet in een beding ten behoeve van zichzelf’.

Vlabel nam op 12 oktober 2015 evenwel een strenger standpunt in. Op de latere uitkering zou volgens Vlabel toch erfbelasting verschuldigd zijn, omdat het voorwerp van de schenking (alle rechten voortvloeiende uit het verzekeringscontract) verschilt van het voorwerp van de uitkering (de verzekeringsprestatie). De hogergenoemde uitzondering is hierop dus niet van toepassing. Vlabel meent dat de uitkering een beding ten behoeve van een derde blijft, zelfs wanneer eerder al schenkbelasting werd betaald. Op die manier dreigt een dubbele belastingheffing.

De Vlamingen die hun kinderen een levensverzekering geschonken hebben, zodat die daar later geen erfbelasting op zouden moeten betalen, komen door deze beslissing bedrogen uit. Ook al zijn er een aantal tegenargumenten, toch blijft voorzichtigheid voortaan geboden. De praktijk zoekt alvast naar oplossingen. Wordt vervolgd.