Overbruggingsuitkering beroepsvoetballer is lijfrente volgens belastingverdrag

In Archiefby robert

Rechtbank Gelderland, 21 januari 2020

Profvoetballers kunnen uiteraard niet doorspelen tot hun AOW-leeftijd. Daarom hebben zij de mogelijkheid om een deel van hun inkomen af te storten in een speciaal fonds: Het Contractspelersfonds voor profvoetballers. Na hun voetbalcarrière kunnen ze bij dit fonds een overbruggingsuitkering ontvangen, waarmee zij in hun inkomen kunnen voorzien. Dit inkomen wordt pas belast op het moment dat het aan de (ex-)voetballer wordt uitgekeerd.
In deze zaak was de voormalig prof gaan wonen in Australië. Hij ontving een uitkering uit het fonds en de vraag was of Nederland hierover belasting kon heffen. Nederland zag de uitkering namelijk als loon dat was verdiend in de Nederlandse periode en wilde het verdragsartikel voor artiesten en sporters toepassen. Het Belastingverdrag met Australië kent echter ook een bepaling op grond waarvan pensioenen en lijfrentes belast mogen worden in het woonland. De vraag spitste zich er met name op toe of de uitkering kon worden gezien als een lijfrente (de uitkering was uiteraard geen pensioen).
De Rechtbank kwam tot het oordeel dat een overbruggingsuitkering van het Fonds inderdaad kan worden gezien als een lijfrente voor het belastingverdrag. Omdat het verdrag het heffingsrecht toewijst aan het woonland, mag Nederland geen belasting heffen.
Aangezien het Verdrag met België ook een specifieke bepaling voor lijfrentes kent, kan deze uitspraak ook voor voormalige profvoetballers die in België wonen van belang zijn. Het betreffende artikel wijst het heffingsrecht toe aan de woonstaat, maar als België weinig of niet heft en als het betreffende inkomen (samen met eventueel soortgelijk inkomen) meer bedraagt dan €
25.000, dan kan Nederland toch heffen.