De (on)belastbaarheid van de AOW-uitkering in België

In Archiefby robert

Al jaren procederen Nederlanders in België tegen de Personenbelasting op hun AOW-uitkering. Het geschil met de Belgische belastingadministratie gaat specifiek om de vraag of de AOW betrekking heeft op een beroepswerkzaamheid.

 

Uit de Belgische rechtspraak blijkt dat men het lastig vindt de AOW te duiden en in te passen in het Belgische belastingsysteem. De systematiek van de AOW en het karakter daarvan sluiten niet direct aan bij de Belgische oudedag regelingen. In zo’n grensoverschrijdende situatie is de kans dan ook groot dat oplossingen die door de Belgische rechters worden gekozen, vanuit Nederlands oogpunt niet (helemaal) aansluiten bij de Nederlandse visie en (juridische) aard van de AOW. Let wel, uitsluitend de lidstaat Nederland kan beslissen onder welke voorwaarden men voor de Nederlandse AOW verzekerd is. Verordening 883/2004 laat geen enkele ruimte voor een eigen Belgische interpretatie die in strijd is met de Nederlandse interpretatie.

Maar de lijn die algemeen in de rechtspraak omtrent de belastbaarheid van AOW wordt uitgezet in België, is als volgt:

  • Op het moment dat iemand in Nederland heeft gewoond, maar niet in Nederland heeft gewerkt dan kan België naar de nationale wetgeving geen belasting heffen over het AOW-inkomen. In dat geval ziet men in België geen band tussen de AOW-uitkering en een beroepswerkzaamheid. Die band is naar de huidige stand van zaken een voorwaarde om naar Belgisch recht tot belastbaarheid te komen.
  • In het geval iemand daarentegen op enig moment in Nederland heeft gewerkt, dan wordt in België wel een band gezien tussen de AOW en een beroepswerkzaamheid. En in dat geval is de AOW-uitkering volgens de (meerderheid van de) rechtspraak wel belastbaar in België.

En dit heeft te maken met een uitspraak van de advocaat-generaal van het Hof van Cassatie van 12 november 2009.

 

 

Nooit gewerkt in Nederland

Enkele AOW-gerechtigden in België procederen al jaren voor een juist oordeel over het al of niet belasten van deze uitkering. Een aantal hiervan wachten op een uitspraak van het hoogste rechtscollege, zoals de heer M. Hij heeft alleen AOW-rechten opgebouwd vanwege zijn Nederlandse inwonerschap. M. heeft tot na zijn studie in Nederland gewoond, waar hij geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend. Een samenhang met zijn beroepswerkzaamheden ontbreekt. Na aanvankelijke afwijzingen bij de administratie en de rechtbank van eerste aanleg heeft het Hof van Beroep te Antwerpen op 4 december 2012 de heer M. in het gelijk gesteld. Het Hof oordeelde dat zijn AOW-uitkering onbelastbaar is, omdat de uitkering uitsluitend verband houdt met het feit dat hij gedurende een gedeelte van zijn leven in Nederland heeft gewoond.

 

De interpretatie

Het Hof sluit zich aan bij de visie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, die bij het arrest van 12 november 2009 concludeert dat een uitkering uitsluitend gebaseerd op het feit dat men in Nederland heeft gewoond, in België niet belastbaar is. Deze visie wordt herhaald door de advocaat-generaal bij twee arresten van 15 maart 2013.

De advocaat-generaal en het Hof van Cassatie stellen nadrukkelijk dat het oordeel van de rechter gebaseerd dient te zijn op de juiste uitleg van de Nederlandse wetgeving. De advocaat-generaal onderscheidt onder andere de volgende mogelijkheden:

  • Voor een Nederlandse ingezetene, die niet in Nederland of het buitenland gewerkt heeft, is de AOW-uitkering onbelastbaar.
  • “Voor degene die altijd in Nederland gewoond en gewerkt heeft, is het zo dat hij alleen al op basis van zijn inwonerschap recht heeft op AOW-pensioen. Indien de rechter ten aanzien van zulke persoon oordeelt dat er geen verband is tussen het pensioen en de beroepswerkzaamheid, kan hij worden gevolgd. Ook als de persoon in kwestie niet gewerkt zou hebben, zou hij recht hebben op AOW-pensioen”.

 

Cruciaal
De advocaat-generaal erkent deze interpretatie dus als een correcte uitleg van de Nederlandse wetgeving. Hij vervolgt met een cruciale passage, waar de rechters zich bij hun uitspraken op baseren: “Maar het is evengoed zo dat de betrokken persoon ook recht zou hebben op AOW-pensioen indien hij niet in Nederland zou gewoond hebben. De link tussen inwonerschap en pensioen is niet sterker dan de link tussen beroepsuitoefening en pensioen. De link met de beroepswerkzaamheid lijkt zelfs sterker dan de link met het inwonerschap in die zin dat degene die in Nederland woont maar ten minste drie maanden in het buitenland werkt (voor een niet-Nederlandse werkgever) niet verplicht verzekerd is in de AOW”.

“Het lijkt mij dan ook logisch dat de rechter ten aanzien van iemand die in Nederland gewerkt heeft en daardoor recht heeft verworven op AOW-pensioen, niet kan besluiten dat er geen (zelfs onrechtstreeks) verband is tussen pensioen en beroepswerkzaamheid. Voor wie in Nederland gewerkt heeft, kan volgens mij niet ontkend worden dat het AOW-pensioen (althans voor de periode van zijn tewerkstelling in Nederland) minstens onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid. Door zijn tewerkstelling in Nederland heeft de betrokkene een onvervreemdbaar recht op AOW-pensioen”.

 

Altijd in Nederland gewerkt

Helaas is de heer M. inmiddels overleden en is het lange wachten op een uitspraak van het Hof van Cassatie nu voor hem tevergeefs geweest. Maar er lopen meer procedures. De heer Harkx heeft van zijn 15de tot zijn 65ste levensjaar in Nederland gewoond en er vele jaren gewerkt. Zoals hij stelt, is zijn AOW opgebouwd op grond van AOW art. 6, lid 1a en dus voor 100% verworven op basis van ingezetenschap zonder enige relatie met werk. Hij is niet in het gelijk gesteld door het Hof van Beroep in Antwerpen en wacht nu ook op een uitspraak van het hoogste rechtscollege, Hof van Cassatie te Brussel.

De heer Harkx vervolgt: “De visie van de advocaat-generaal dat een Nederlandse ingezetene een onvervreemdbaar recht op AOW-pensioen verwerft door zijn tewerkstelling in Nederland, is niet juist. Iedere ingezetene verwerft vanaf zijn vijftiende jaar recht op AOW-pensioen. Een recht dat men eenmaal verworven heeft, kan men niet opnieuw verwerven. In zijn conclusie van 15 maart 2013 preciseert de advocaat-generaal zijn visie als volgt: ‘In geval van beroepsuitoefening triggert deze het pensioen’ en het Hof van Cassatie vervangt dit anglicisme door ‘opent de aanspraak op AOW-pensioen”.

Het is nu wachten op een arrest van het Hof van Cassatie. Het Belgisch gerecht is een zeer langzaam draaiende molen en een uitspraak kan nog best een à twee jaar duren!

 

De belastingadministratie

In zijn belastingaangifte geeft de heer Harkx aan € 0 in het vak voor het AOW-pensioen met een toelichting dat zijn AOW-uitkering op grond van de feiten en Nederlandse uitleg niet belastbaar is. Daar voegt hij ook een brief bij van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting en een brief van de Sociale Verzekeringsbank ter zake van zijn AOW-inkomsten. “Zoals te verwachten was: de Administratie heeft geen rekening gehouden met deze brieven. Ik kreeg dus een aanslag over mijn totale inkomen”, aldus de heer Harkx. “Ik heb op 26 november 2014 zelfs een gesprek gehad met mijn contactpersoon bij de Administratie over mijn personenbelasting aanslagjaar 2013. Ik had de indruk, dat hij met mij van mening is dat 1) de verklaring in de brief van de SVB dat ik als ingezetene van Nederland rechten op AOW heb opgebouwd en 2) het schrijven van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat AOW voor een ingezetene geen verband heeft met enige beroepsactiviteit, voldoende zijn”.

Echter op 24 december 2014 ontving hij een aangetekend schrijven van de Administratie waarin men zijn bezwaar, verdedigd op de hoorzitting, afwees: “De zinsnede uit een brief van de Sociale Verzekeringsbank aan mij persoonlijk gericht, werd niet opgenomen in het verslag ofschoon ik daarop gewezen heb. Die zinsnede luidt: “In uw individuele situatie staat uw volledige (en tevens het maximale) AOW-pensioen evenmin als een op vrijwillige premiebetaling gebaseerd (deel van een) AOW-pensioen daarom in geen enkele relatie tot het verrichten van beroepswerkzaamheden”.
De Administratie blijft stellen, dat de AOW-uitkering een wettelijk pensioen is ter uitvoering van de sociale zekerheidsregel inzake ouderdoms- en overlevingspensioen, die samenhangt met werk en dus belastbaar.

 

Nooit gewerkt

Uit een ander vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in Hasselt wordt de Administratie in het gelijk gesteld wat betreft het belasten van het AOW-inkomen van meneer, maar in het ongelijk gesteld over belastbaarheid van de het AOW-inkomen van mevrouw. Het AOW-inkomen van de vrouw in deze zaak onbelast is voor de personenbelasting, omdat zij nooit gewerkt heeft. De heer Harkx: “Dit is een uitspraak die al verschillende keren is gedaan. De Administratie gaat hiertegen al niet meer in beroep. Mijn advies zou luiden: voor hen die tegen de aanslag van de AOW in de personenbelasting bij de rechtelijke instanties bezwaar hebben aangetekend, kan het aanbeveling verdienen bij de Administratie te vragen om een voorlopige vermindering van de personenbelasting voor zo ver deze is gevestigd op het AOW-inkomen zo lang de rechter nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan. Normaal zal de administratie dit toestaan.
Een tweede advies zou zijn: indien u bezwaar heeft aangetekend tegen de aanslag van de personenbelasting voor zo ver deze is gevestigd op het AOW-inkomen, kunt u achteraf als de zaak voor u positief is verlopen, beroep doen op artikel 367 en/of 376 van het WIB 92 en over de voorgaande jaren (!) het onverschuldigd te veel betaalde terugvorderen”.

Nog een korte aanvulling. De heer Harkx heeft op maandag 8 juni 2015 twee Nederbelgen bijgestaan bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Met name de stelling dat een recht dat men verwerft op 15-jarige leeftijd, geen tweede keer verworven kan worden als men op 30-jarige leeftijd gaat werken en het niet teniet gedaan kan worden als men op 50-jarige leeftijd stopt met werken of ontslagen wordt – want dat recht is gebaseerd op artikel AOW 6,1a omdat men ingezetene is – maakte veel indruk. De heer Harkx: “We moeten op de uitspraak wachten of de rechter dit een sterk argument vond”.