Dividend betaald aan een buitenlandse moeder, terugbetaling van roerende voorheffing

In Archiefby robert

Op basis van de moeder-dochter richtlijn is op een dividenduitkering tussen moeder- en dochtervennootschappen geen roerende voorheffing (dividendbelasting) verschuldigd bij deelnemingen van minimaal 10%. Die 10% eis geldt ook voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling (DBI aftrek) waaronder ontvangen dividend bij de moeder voor 95% van vennootschapsbelasting is vrijgesteld. Op die DBI aftrek kan een “Belgische” moeder ook beroep doen voor deelnemingen met een aanschaffingswaarde van minstens 2,5 mio EUR ook als die geen 10% bereikt in het kapitaal van de dochter. Dit leidt tot een verschil in belastingheffing voor binnen- en buitenlandse vennootschappen.

Indien een buitenlandse vennootschap participeert voor minder dan 10% in een Belgische dochter, maar haar deelneming wel minstens 2,5 mio euro bedraagt, zal de dochter op het uitgekeerd dividend roerende voorheffing moeten inhouden. Die roerende voorheffing is voor de buitenlandse moeder niet verrekenbaar noch terugbetaalbaar. Dat is wel het geval voor een Belgische moeder die in gelijke omstandigheden deelneemt in haar Belgische dochter.

Eind vorig jaar heeft het Europese Hof van Justitie beslist dat de Belgische fiscale wetgeving daarmee het recht op vrij verkeer van kapitaal en vestiging schendt. De belastingdienst heeft eind juni een circulaire gepubliceerd met de voorwaarden waaronder zij ten onrechte ingehouden roerende voorheffing op dividend uitgekeerd aan buitenlandse vennootschappen zal terugbetalen.

hits=885= / id=3210=