Verzoekschrift voorziening in cassatie (AOW)

In Archiefby robert

Aan de heer Eerste Voorzitter
Dames en Heren Voorzitters, Dames en Heren Raadsheren
bij het Hof van Cassatie te Brussel

De heer Wilhelmus Antonius Jacobus Maria HARKX, gepensioneerde, historicus, geboren te Nederland op ……….., van Nederlandse nationaliteit, wonende Antwerpen, …,
Vertegenwoordigd door Mr. Jo Boes, advocaat.

EISER IN CASSATIE
Geeft hierbij eerbiedig te kennen dat hij  met toepassing van de artikelen 1079 en 1080 Ger.W. cassatieberoep instelt tegen het arrest van 21 mei 2013, gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, zesde kamer, 2012/AR/1305, dat op 9 augustus 2013 aan eiser betekend werd.
Eiser stelt cassatieberoep in omwille van de grieven en nadelen die hem door het bestreden arrest zijn aangedaan.
Eiser voert de hierna volgende middelen aan.

1. Feitelijke toedracht
De betwisting betreft aanslagen in de personenbelasting voor wat betreft de aanslagjaren 2009 en 2010 en meer bepaald de vraag naar de belastbaarheid van AOW-uitkeringen die eiser in cassatie verkreeg vanuit Nederland.
Eiser in cassatie diende bezwaarschriften in tegen deze aanslagen. Hij stelde dat zijn AOW-uitkering niet belastbaar was vermits het geen loon betrof, noch uitgesteld loon.
De bezwaarschriften werden afgewezen bij beslissing van 3 juni 2010 en 3 februari 2011 van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijk directeur.
Op 28 juni 2010 legde eiser in cassatie ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen een verzoekschrift neer met betrekking tot aanslagjaar 2009. Op 8 februari 2011 volgde een verzoekschrift voor wat betreft aanslagjaar 2010.
De eerste rechter voegde beide zaken samen en stelde vast dat eiser in cassatie in Nederland had gewerkt en er bijdragen had betaald onder de AOW. De eerste rechter oordeelde dat de bijdragen betrekking hadden op zijn beroepswerkzaamheid, zodat artikel 34 § 1, 1° WIB/92 van toepassing was.
Voor het Hof van Beroep te Antwerpen vordert eiser in cassatie om zijn hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en alsnog te beslissen dat over zijn AOW-uitkering geen personenbelasting diende te worden geheven.
Met het arrest d.d. 21 mei 2013 verklaarde het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiser in cassatie toelaatbaar doch ongegrond. Het Hof van Beroep is van oordeel dat de AOW-uitkering rechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid die door eiser in cassatie in Nederland werd uitgeoefend. Als de AOW-genieter een beroepswerkzaamheid in Nederland heeft verricht en loonbelasting heeft afgedragen, is er volgens het Hof een verband met de beroepswerkzaamheid. Het Hof is van oordeel dat de Administratie derhalve heeft aangetoond dat de AOW-uitkering in onderhavig geval belastbaar is als pensioen in de zin van artikel 34 § 1, 1° WIB/92.

2. Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest stelt dat overeenkomstig artikel 3.2. van het Dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis heeft welke die uitdrukking op dat ogenblik heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het verdrag van toepassing is. De AOW-uitkering moet derhalve worden geïnterpreteerd in functie van de Belgische wetgeving, en bij voorrang de Belgische fiscale wetgeving. Hoe een AOW-wetgeving in de Nederlandse regelgeving wordt geïnterpreteerd is in deze dan ook in wezen niet relevant.
Het bestreden arrest stelt dat wanneer men in Nederland werkt en woont er twee aanknopingspunten zijn die recht geven op de toekenning van AOW-pensioen: de woonplaats in Nederland en het feit dat men in Nederland werkt. Gelet op deze dubbele aanknopingsfactor, dient volgens het bestreden arrest te worden geoordeeld dat, wanneer men in Nederland woont en werkt, er minstens een onrechtstreeks verband bestaat tussen de uitkering en de beroepswerkzaamheid. Deze onrechtstreekse band met de beroepswerkzaamheid wordt volgens het bestreden arrest versterkt door het feit dat, als men in Nederland woont en werkt, de bijdrage voor de opbouw van het AOW-pensioen wordt voldaan door een inhouding op het loon.
Het bestreden arrest merkt op dat deze visie bovendien in de lijn ligt van de verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, als ook op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsten.
Het bestreden arrest besluit dat in onderhavig geval de AOW-uitkering rechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid die door eiser in cassatie in Nederland werd uitgeoefend. Als de AOW-genieter een beroepswerkzaamheid in Nederland heeft verricht en loonbelasting heeft afgedragen, is er volgens het bestreden arrest een verband met de beroepswerkzaamheid.
De Administratie heeft volgens het bestreden arrest derhalve aangetoond dat de AOW-uitkering in onderhavig geval belastbaar is als pensioen in de zin van artikel 34, § 1, 1° WIB/92. Het bestreden arrest verklaart het beroep van eiser in cassatie toelaatbaar doch ongegrond.

3. Geschonden wettelijke bepalingen
Artikel 34 § 1, 1° van het Wetboek der Inkomstenbelastingen 1992, hierna WIB/9;
Artikel 23 WIB/92;
Artikel 3.2 van het Dubbelbelastingverdrag van 5 juni 2001 tussen België en Nederland
Artikel 6, eerste lid van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet van 31 mei 1956;
Preambule nr. 4 en nr. 15, artikel 1, c van de Europese Verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;
Artikel 149 gecoördineerde Grondwet;
Allen zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2009 en 2010

4. Cassatiemiddel

– Eerste onderdeel
Het bestreden arrest stelt dat overeenkomstig artikel 3.2 van het Dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis heeft welke die uitdrukking op dat ogenblik heeft volgens de wetgeving van die staat met betrekking tot de belastingen waarop het verdrag van toepassing is. De AOW-uitkering moet derhalve volgens het bestreden arrest worden geïnterpreteerd in functie van de Belgische wetgeving, en bij voorrang de Belgische fiscale wetgeving. Hoe een AOW-uitkering in de Nederlandse regelgeving wordt geïnterpreteerd is in deze dan ook in wezen niet relevant.
Vervolgens geeft het bestreden arrest een interpretatie van de AOW-uitkering die gebaseerd is op een verkeerde uitlegging van de Nederlandse wetgeving en aldus behept is met een schending van het Nederlandse materiële recht.
Vanuit deze verkeerde uitlegging van de Nederlandse wetgeving concluderen de appelrechters ten onrechte dat er een onrechtstreeks verband bestaat tussen de AOW-uitkering en de beroepswerkzaamheid voor wie in Nederland woont en werkt.
Ten onrechte meent het bestreden arrest uit de bepalingen van artikel 3.2 van het Dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland te kunnen afleiden dat het niet relevant is hoe een AOW-uitkering in Nederland wordt geïnterpreteerd. Artikel 3.2 van het betreffende dubbelbelastingverdrag heeft enkel betrekking op uitdrukkingen die voorkomen in het verdrag maar die niet in het verdrag omschreven zijn. De AOW-uitkering is geen uitdrukking die voorkomt in het dubbelbelastingverdrag. Artikel 3.2 van het dubbelbelastingverdrag is derhalve niet relevant voor een juiste interpretatie van een AOW-uitkering.
Door een eigen (Belgische) interpretatie te geven van de AOW-wet, interpretatie die in strijd is met de Nederlandse wetgeving en de Nederlandse interpretatie van deze wetgeving, schendt het bestreden arrest de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
Elke lidstaat beslist zelf wie volgens zijn wetgeving verzekerd is, welke verzekeringen en uitkeringen toegekend worden, hoe deze voorzieningen berekend worden en welke premies er betaald moeten worden.
Het is dan ook niet meer dan logisch dat er naar de Nederlandse regelgeving wordt gekeken om uit te maken hoe een AOW-uitkering moet geïnterpreteerd worden.
Door de Nederlandse AOW-uitkering van een Nederlandse ingezetene te interpreteren als een beloning die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een vroegere beroepswerkzaamheid, miskent het bestreden arrest een essentieel kenmerk van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, nl. dat de grondslag voor de AOW-uitkering van een Nederlandse ingezetene uitsluitend berust op ingezetenschap.
Door aldus te beslissen dat het niet relevant is hoe een AOW-uitkering in de Nederlandse regelgeving wordt geïnterpreteerd, schendt het bestreden arrest niet alleen artikel 6, eerste lid van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet van 31 mei 1956 in combinatie met Preambule nr. 4 en nr. 15, artikel 1, c van de Europese Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels maar ook de artikelen 34 § 1, 1° en 23 WIB/92..
Sedert het arrest van 9 oktober 1980 (Cass., 9 oktober 1980, Pas., 1981, I, 159) van het Hof van Cassatie staat het vast dat het Hof toezicht houdt op de juiste toepassing en interpretatie van het buitenlandse recht. Een beslissing die slechts op de vreemde wettekst steunt en niet op de ware betekenis en draagwijdte ervan in het land van oorsprong dient vernietigd te worden.
Door te beslissen dat het in wezen niet relevant is hoe een AOW-uitkering in de Nederlandse regelgeving wordt geïnterpreteerd, schenden de appelrechters alle opgesomde wettelijke bepalingen. Uit dit alles volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet wettig heeft verantwoord.

– Tweede onderdeel
Het bestreden arrest stelt dat wanneer men in Nederland werkt en woont er twee aanknopingspunten zijn die recht geven op de toekenning van een AOW-pensioen: de woonplaats in Nederland en het feit dat men in Nederland werkt. Gelet op deze dubbele aanknopingsfactor, dient volgens het bestreden arrest te worden geoordeeld dat, wanneer men in Nederland woont en werkt, er minstens een onrechtstreeks verband bestaat tussen de uitkering en de beroepswerkzaamheid.
Volgens het bestreden arrest zijn er voor iemand die in Nederland woont en werkt twee aanknopingspunten die recht geven op een AOW-uitkering, nl. de woonplaats in Nederland en het werken in Nederland.
Deze interpretatie is niet correct. Op grond van artikel 6 van de AOW-wet is verzekerd:
– degene die ingezetene is en
– degene die geen ingezetene is maar in Nederland in dienstbetrekking werkt en aan de loonbelasting onderworpen is. Daarnaast zijn degenen die als zelfstandigen in Nederland werken verzekerd voor de AOW.
Als iemand in Nederland woont zijn er dus geen twee gelijkwaardige aanknopingspunten voor de AOW-verzekering. In dat geval is die persoon verzekerd op grond van zijn ingezetenschap en is het niet relevant of hij in Nederland werkt.
Alleen wanneer men geen ingezetene is, is het dus relevant of men in Nederland werkt.
Voor een ingezetene is er geen enkel causaal verband tussen de beroepswerkzaamheid en het recht op AOW-uitkering. Voor een ingezetene is de aanspraak op AOW-pensioen reeds op zijn vijftiende jaar geopend op grond van zijn ingezetenschap en het verrichten van arbeid is bij hem volstrekt irrelevant voor zijn aanspraak op een AOW-pensioen.
De stelling dat er voor een Nederlandse ingezetene een verband bestaat tussen een beroepswerkzaamheid en de AOW-uitkering wordt juist gefalsifieerd door het feit dat er ook Nederlandse ingezetenen zijn zonder beroepswerkzaamheid die toch aanspraak kunnen maken op een AOW-uitkering.
Het bestreden arrest dat stelt dat er twee aanknopingspunten zijn en hieruit afleidt dat er een onrechtstreeks verband bestaat tussen de AOW-uitkering en de beroepswerkzaamheid, is gebaseerd op een verkeerde uitleg van de Nederlandse wetgeving en aldus behept met een schending van het Nederlandse materiële recht, met name artikel 6, eerste lid van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet van 31 mei 1956.
Op grond van die verkeerde uitlegging hebben de appelrechters niet naar recht kunnen beslissen dat er een, rechtstreekse of onrechtstreekse, band bestaat tussen de uitkeringen en de beroepswerkzaamheid.
Door niettemin een causaal verband te aanvaarden tussen de beroepswerkzaamheid en het recht op een AOW-uitkering, miskent het bestreden arrest tevens artikel 34 § 1, 1° WIB/92 in combinatie met artikel 23 WIB/92. Voor de toepassing van deze bepalingen is immers vereist dat er, rechtstreeks of onrechtstreeks, een band bestaat tussen de uitkeringen en de beroepswerkzaamheid.
Uit dit alles volgt dat de appelrechters alle opgesomde wettelijke bepalingen schenden en hun beslissing niet wettig hebben verantwoord.

– Derde onderdeel
Het bestreden arrest stelt ten onrechte dat wanneer men werkt en woont in Nederland er twee aanknopingspunten zijn die recht geven op de toekenning van een AOW-pensioen: de woonplaats in Nederland en het feit dat men in Nederland werkt. Gelet op deze dubbele aanknopingsfactor, dient volgens het bestreden arrest te worden geoordeeld dat, wanneer men in Nederland woont en werkt, er minstens een onrechtstreeks verband bestaat tussen de uitkering en de beroepswerkzaamheid. Deze onrechtstreekse band met de beroepswerkzaamheid wordt volgens het bestreden arrest versterkt door het feit dat, als men in Nederland woont en werkt, de bijdrage voor de opbouw van het AOW-pensioen wordt voldaan door een inhouding op het loon.
Deze stelling is niet correct. De premieheffing voor de AOW geschiedt via de belastingdienst. De AOW-premie wordt – in tegenstelling tot de bedrijfspensioenpremie – niet geheven op loon of salaris van een beroepsactiviteit, maar op het inkomen uit de eerste en tweede schijf van box 1, Inkomen uit werk en woning zoals dit wordt bepaald door de Nederlandse Wet Inkomstenbelasting 2001. Tot box 1 behoren niet alleen loon en salaris, maar o.a. ook winst uit onderneming, periodieke uitkeringen als studiebeurzen, overheidssubsidies, inkomsten uit eigen woning, enz.
De AOW-premie wordt geheven op inkomen, ongeacht of dit inkomen door een beroepsactiviteit en/of anderszins wordt verkregen. (Tot 2001 werd er ook premie geheven op inkomsten uit vermogen).
Er is geen sprake van solidariteit tussen personen die een beroepsactiviteit uitoefenen en personen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, maar van solidariteit tussen personen die inkomen hebben en personen die geen inkomen hebben. Een niet onbelangrijk deel van de AOW-middelen (in 2012 bijna 40 % van de AOW-uitgaven) wordt gevormd door een bijdrage van de overheid uit de algemene middelen.
Ten onrechte stelt het bestreden arrest dat er een onrechtstreekse band met de beroepsactiviteit bestaat die versterkt wordt door het feit dat, als men in Nederland woont en werkt, de bijdrage voor de opbouw van het AOW-pensioen voldaan wordt door een inhouding op het loon.
Deze inhouding, die voor werknemers geschiedt op het loon, is slechts een voorlopige heffing. De definitieve premie wordt via de eerste en tweede schijf van box 1 in de inkomstenbelasting geheven. Bij vrije beroepen, zelfstandigen en bij ingezetenen die geen beroepsactiviteit uitoefenen, wordt de premie uitsluitend op deze wijze geheven. De premie dient immers betaald te worden op het inkomen, ongeacht of dit inkomen verkregen is uit arbeid of anderszins. Ook een Nederlandse ingezetene die geen beroepswerkzaamheid uitoefent, dient dus over zijn inkomen AOW-premie te betalen. In deze is er geen enkel verschil tussen een persoon die een beroepswerkzaamheid uitoefent en een persoon die geen beroepswerkzaamheid uitoefent.
De wijze van inning van de premie kan dan ook niet gebruikt worden als argument voor het bestaan, resp. de versterking van een rechtstreekse of onrechtstreekse band met een beroepsactiviteit.
Door te beslissen dat de bijdrage voor de opbouw van het AOW-pensioen voldaan wordt door een inhouding op het loon en hierin een versterking te zien van het feit dat er een onrechtstreekse band bestaat met de beroepsactiviteit, schenden de appelrechters alle opgesomde wettelijke bepalingen.
Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet wettig heeft verantwoord.

De aangevoerde middelen worden met toepassing van artikel 1087 Ger.W. uitvoerig toegelicht in een memorie van toelichting.
Huidig verzoekschrift en de memorie van toelichting zijn met toepassing van de artikelen 1079 en 1087 van het Gerechtelijk Wetboek betekend aan:
De Belgische Staat – Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën te Brussel, op vervolging en benaarstiging door de Directeur van de Gewestelijke Directie te Antwerpen I en waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2,
Het exploot waarbij de voorziening is betekend, wordt met toepassing met artikel 1081 van het Gerechtelijk Wetboek bij dit verzoekschrift gevoegd.

OM DEZE REDENEN BEHAGE HET AAN HET HOF

* het arrest d.d. 21 mei 2013 (AR 2012/AR/1305)  van het Hof van Beroep te Antwerpen te verbreken;
* de zaak naar een ander Hof te verwijzen;
* verweerder in cassatie te veroordelen tot de kosten van het cassatiegeding.

Opgemaakt op 4 november 2013
 
Voor eiser in cassatie
Zijn raadsman
Jo Boes

Bijlagen: – Memorie van Toelichting
               – Inventaris der stukken
               – Stukken

hits=2430= / id=3167=