Cassatie AOW-kwestie, memorie van antwoord, arrest AR 2012/AR/62

In Archiefby robert

Memorie van antwoord

van Prof.dr. W.H.M. Mattens, hierna te noemen verweerder in cassatie
bij voorziening in cassatie van 23 september 2013 op verzoek van
De Belgische staat, Federale Overheidsdiensten Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens ambtelijk adres gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de directeur der directe belastingen te Hasselt, wiens kantoor gevestigd is te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 50, hierna te noemen eiser in cassatie.

Inhoudsopgave                                
1.1. De beroepsactiviteiten van verweerder in cassatie.
1.2. Arrest AR 2012/AR/62 van het Hof van Beroep te Antwerpen van 04.12.2012
1.3. De argumenten van eiser in cassatie 1.4. Besluit    
1.5. Inventaris van de bijgevoegde stukken    

1.1. De beroepsactiviteiten van verweerder in cassatie.
Verweerder in cassatie heeft als Nederlander tot het moment dat hij na het beëindigen van zijn universitaire studie te Nijmegen in augustus 1966 naar België (Namen) verhuisde, in Nederland gewoond.
Hij heeft in Nederland nooit een beroepsactiviteit uitgeoefend. Zoals blijkt uit stuk 53 uit het administratief dossier heeft verweerder in cassatie in Nederland wel enkele activiteiten vervuld. Niet van 28.02.1966 tot 01.08.1970 zoals eiser in cassatie in zijn Voorziening in cassatie p. 4 stelt, maar van:
1. 28-02-1966 tot 01-06-1966; 2. 01-04-1966 tot 01-07-1966; 3. 01-01-1966 tot 16-08-1966; 4. 01-08-1969 tot 01-08-1970.
Het vierde tijdvak betrof de vervanging van een zieke studievriend en collega te Maastricht gedurende enkele uren per week. Het betrof een nevenfunctie in Nederland naast zijn hoofdfunctie in België. Op 1 september 1966 is verweerder in cassatie voltijds in dienst getreden bij de Facultés universitaires Notre Dame de la Paix te Namen. Hij is tot het einde van zijn loopbaan op 30 september 2005 zonder enige onderbreking voltijds in België in dienst geweest, stuk 1. Voor het tijdvak 01-08-1969 tot 01-08-1970 was verweerder in cassatie wel verzekerd bij het ABP, maar kon hij in Nederland niet sociaal verzekerd zijn, o.a. voor de AOW, omdat men volgens de Europese verordening slechts in één land sociaal verzekerd kan zijn. Hij had een werkgever in België en een werkgever in Nederland en woonde in België, Namen. In dat geval is men uitsluitend sociaal verzekerd in het woonland, stuk 2.

De drie andere tijdvakken hebben betrekking op stageactiviteiten die aan het einde van de universitaire studie verplicht zijn om onderwijsbevoegdheid te verkrijgen. Het ging om stageactiviteiten van enkele uren per week in verschillende onderwijsinstellingen. Vandaar de merkwaardige, elkaar overlappende periodes, waaruit duidelijk blijkt dat het niet om een reguliere beroepsactiviteit ging. Deze stageactiviteiten worden, net als de beroepsopleiding in België, niet als beroepswerkzaamheden beschouwd, maar als zgn. gelijkgestelde periodes. Zij omvatten in totaal 7,5 maand.
De vergoeding voor deze stageactiviteiten was zo gering dat er geen belasting op verschuldigd was en er bijgevolg ook geen AOW-premie op betaald hoefde te worden. De AOW-premie maakt immers deel uit van de eerste schijf van de inkomstenbelasting.
Zelfs als men deze stageactiviteiten als beroepswerkzaamheden zou beschouwen, kunnen ze niet als verzekeringsperiode voor de AOW gelden, omdat de periode van 7,5 maand korter is dan de vereiste minimumverzekeringsduur van één kalenderjaar, stuk 3, p. 2. Bijgevolg kan deze periode niet beschouwd worden als een periode waarin verweerder in cassatie op grond van een beroepswerkzaamheid verzekerd zou zijn geweest. Derhalve is hij alleen op grond van zijn ingezetenschap voor de AOW verzekerd geweest.

Eiser in cassatie betoogt in zijn Voorziening in cassatie p. 8 het volgende:
“In casu is het bijgevolg zo dat verweerder in cassatie ook recht zou hebben op AOW-pensioen indien hij niet in Nederland zou gewoond hebben. Alleen al doordat hij in Nederland heeft gewerkt heeft hij recht verworven op AOW-pensioen zodat niet ontkend kan worden dat het AOW-pensioen minstens onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid. Door zijn tewerkstelling in Nederland heeft verweerder in cassatie een onvervreembaar recht op AOW-pensioen, waardoor bij een latere tewerkstelling in het buitenland ongeacht zijn woonplaats op vrijwillige basis kan verzekerd blijven mits betaling van bijkomende premies.”

Deze bewering is volstrekt onjuist. Verweerder in cassatie voldoet niet aan de voorwaarde van een minimumverzekeringsduur van één kalenderjaar om aanspraak te kunnen maken op AOW-pensioen op grond van een beroepswerkzaamheid. Hij voldoet wel aan die voorwaarde op grond van zijn ingezetenschap. Ook eventuele voortzetting op vrijwillige basis zou alleen hebben kunnen geschieden op grond van zijn vroegere ingezetenschap.

Eiser in cassatie betoogt in zijn Voorziening in cassatie dat verweerder in cassatie een niet-verplichte bijdrage voor de AOW voor zijn tewerkstelling in België betaald zou hebben, p. 4 en stelt:
“In casu heeft verweerder in cassatie voor de periode dat hij in België woonde én werkte recht op AOW-pensioen alleen al omwille van zijn vorige tewerkstelling in Nederland en omdat hij zich vrijwillig verzekerd heeft. Het is bijgevolg evengoed zo dat verweerder in cassatie ook recht zou hebben op AOW-pensioen indien hij niet in Nederland zou gewoond hebben”, p. 8.

Verweerder in cassatie heeft aangetoond dat hij geen recht op AOW-pensioen heeft op grond van zijn stageactiviteiten in Nederland van 7,5 maand.

In alle voorafgaande procedures heeft eiser in cassatie het argument van de vrijwillige bijdrage nooit aangevoerd, zodat verweerder in cassatie het ook nooit eerder heeft kunnen betwisten.

Daarom wenst verweerder in cassatie hier uitdrukkelijk te verklaren dat hij na zijn verhuizing naar België in augustus 1966 nooit enige vrijwillige, niet-verplichte bijdrage voor de AOW voor zijn tewerkstelling in België heeft betaald. (Iedere belastingconsulent zou dit overigens verweerder in cassatie ten stelligste hebben afgeraden: 17,9 % premie en niet 15% zoals eiser in cassatie op p. 5 stelt, betalen, die in België niet fiscaal aftrekbaar is. Verweerder in cassatie zou minstens honderd jaar moeten worden om hier enig financieel voordeel bij te hebben. Een vrijwillige verzekering voor de AOW is alleen interessant voor een persoon met geen of een zeer laag inkomen.)

1.2. Arrest 2012/AR/62 van het Hof van Beroep te Antwerpen van 04.12.20
Het Hof van Beroep te Antwerpen stelt in zijn arrest o.a. het volgende:
In onderhavig geval dient te worden vastgesteld dat de verweerder in cassatie met ingang van l september 1966 voltijds in dienst was bij de Facultés universitaires Notre Dame de la Paix in Namen, België en dit als assistent, voltijds docent en voltijds hoogleraar. Hij was in België werkzaam tot aan zijn pensioen in september 2005.
In de periode die daaraan voorafgaat, en meer bepaald vanaf januari 1966 tot augustus 1966 heeft hij een beperkte dienstbetrekking uitgeoefend in Nederland. Er wordt niet betwist dat het ging om stageactiviteiten aan het einde van de universitaire studie. Evenmin wordt betwist dat de verkregen vergoedingen voor deze prestaties dermate gering waren dat ze geen aanleiding hebben gegeven tot de inhouding van premies.
Voor wat betreft de in Nederland gewerkte periode van l augustus 1969 tot l augustus 1970, dient te worden vastgesteld dat verweerder in cassatie in die periode reeds voltijds tewerkgesteld was in Namen, België. De prestaties in Nederland waren aldus zeer beperkt. Bovendien blijkt uit de informatie van de Sociale Verzekeringsbank dat men enkel sociaal verzekerd is in het woonland (hier België), wanneer men zowel in Nederland als in België werkt en zowel een werkgever heeft in België als een werkgever in Nederland. Vermits verweerder in cassatie vanaf l september 1966 voltijds tewerkgesteld was bij een Belgische werkgever, werden er voor zijn beperkte tewerkstelling in Nederland van l augustus 1969 tot l augustus 1970 geen sociale premies betaald in Nederland.
Er bestaat geen betwisting over het feit dat verweerder in cassatie tot na het beëindigen van zijn universitaire studies in Nijmegen in Nederland heeft gewoond en dat hij daarna is verhuisd naar België (Namen).

Uit het bovenstaande blijkt in onderhavig geval dat de AOW-uitkering geen rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid die door verweerder in cassatie werd uitgeoefend. Deze uitkering houdt immers uitsluitend verband met het feit dat hij gedurende een gedeelte van zijn leven in Nederland heeft gewoond. De administratie, op wie de bewijslast rust, toont derhalve niet aan dat de AOW-uitkering in onderhavig geval belastbaar is als pensioen in de zin van artikel 34, par. 1, eerste lid WIB92.
 

1.3. De argumenten van eiser in cassatie.
De argumenten van eiser in cassatie dat verweerder in cassatie een onvervreemdbaar recht op AOW-pensioen zou hebben door
zijn stageactiviteiten van 7,5 maand;
en door een vermeende vrijwillige bijdrage voor zijn tewerkstelling in België
zijn door verweerder in cassatie hierboven in 1.1. met onbetwistbare tegenargumenten weerlegd.

De overige argumenten van eiser in cassatie voor de verbreking van arrest 2012/AR/62 van het Hof van Beroep te Antwerpen van 04.12.2012 zijn reeds alle in vorige procedures bij Uw Hof aangevoerd. Uw Hof heeft in deze procudures steeds beslist dat een AOW-uitkering die uitsluitend gebaseerd is op het feit dat men (een gedeelte van zijn leven) in Nederland heeft gewoond, niet als pensioen belastbaar is in de zin van artikel 34, par. 1, eerste lid WIB1992, zie de arresten F.08.0040.N/1 van 12 november 2009, F.11.0145.N van 15 maart 2013 en F.11.0146.N van 15 maart 2013.

Eiser in cassatie voert geen enkel nieuw feit, argument of bewijsmiddel aan dat van aard zou kunnen zijn Uw Hof in overweging te geven zijn oordeel in deze te herzien.


1.4. Besluit
Verweerder in cassatie heeft onomstotelijk aangetoond dat zijn AOW-pensioen uitsluitend gebaseerd is op het feit dat hij een gedeelte van zijn leven in Nederland heeft gewoond. Hij heeft in Nederland nooit een beroepsactiviteit uitgeoefend. Hij heeft in Nederland zijn universitaire studies gevolgd inclusief de wettelijk voorgeschreven stageactiviteiten. Hij heeft nooit vrijwillige, niet-verplichte bijdragen voor de AOW voor zijn tewerkstelling in België betaald.

Op grond van deze argumenten is verweerder in cassatie van mening dat het Hof van Beroep te Antwerpen in zijn arrest 2012/AR/62 van 4 december 2012 terecht heeft geoordeeld dat de AOW-uitkering van verweerder in cassatie geen rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met de beroepsactiviteit die door verweerder in cassatie werd uitgeoefend.

Derhalve verzoekt verweerder in cassatie Uw Hof eerbiedig het cassatieberoep van 23 september 2013 te verwerpen en eiser in cassatie te veroordelen tot de kosten.

hits=1946= / id=3151=