Het regeerakkoord Di Rupo I: evolutie of revolutie?

In Archiefby robert

Op 6 december heeft de nieuwe Belgische regering onder leiding van eerste minister Elio Di Rupo de eed afgelegd voor de Koning. De vertrouwensstemming in het parlement volgt later. Bij nader onderzoek is het regeerakkoord geen echt Sinterklaasgeschenk geworden. Heel wat inwoners van België zullen de komende jaren fors meer belastingen moeten betalen. Toch is er sprake van enige opluchting omwille van de duidelijkheid die er nu eindelijk werd gecreëerd. Het mooiste uit het regeerakkoord is dan ook vermoedelijk wat er niet in staat.

Maatregelen die betrekking hebben de privé-beleggingsfiscaliteit
Bij de onderhandelingen over het regeerakkoord was het duidelijk de optie om de beroepsinkomsten niet zwaarder te belasten, maar de fiscale druk op inkomen uit vermogen te verhogen. De politieke discussie die gevoerd werd sinds de presentatie van de basisnota van formateur Di Rupo op 4 juli 2011, heeft betrekking op de wijze waarop deze belastingverhoging concreet vorm zou krijgen. Vooral één zin uit deze, meer dan honderd pagina’s tellende basisnota, bracht veel beroering. Er stond letterlijk te lezen dat er een ‘tijdelijke crisisbijdrage’ zou worden opgelegd op ‘grote vermogens’. Deze werden dan gedefinieerd als vermogens groter dan 1,25 miljoen euro, waarbij de eigen woning en het vermogen dat bestemd is voor de beroepsactiviteit niet in rekening zouden worden gebracht. De bijdrage zou ongeveer 0,5% bedragen. Hoewel een aantal Belgische vermogende ondernemers zich publiekelijk principieel bereid verklaarden om een substantiële bijdrage te leveren aan de sanering van de staatsfinanciën, was de heersende vrees toch dat de maatregel wel eens zou kunnen afglijden naar de invoering van een definitieve vermogensbelasting.

Geen vermogensbelasting
Deze vrees bleek echter voorbarig. Bij de verdere onderhandelingen is duidelijk geworden dat een land als België niet voorbereid is om een echte vermogensbelasting af te dwingen, zodat de mogelijke opbrengst wel eens zeer laag zou kunnen uitvallen. Zo kent België geen automatische uitwisseling van financiële gegevens naar de fiscus maar kan deze pas bij ernstige vermoedens van fraude of onverklaarbare uitgaven inzage nemen van de bankrekeningen. Voor buitenlandse beleggingsverzekeringen en aandelen van buitenlandse vennootschappen ligt dit uiteraard nog veel moeilijker. Bovendien was de vrees dat er langdurige discussies zouden worden gevoerd over de juiste waardering van bepaalde goederen, zoals kunst en juwelen. Dat een correcte waardering geen sinecure is, blijkt immers reeds uit het feit dat België voor de waardering van onroerend vermogen nog steeds uitgaat van de, intussen veelvuldig geïndexeerde en verhoogde, huurwaarde van woningen in 1975 (het zogenaamde ‘kadastrale inkomen’). Hoewel de talrijke verhogingen intussen wel hebben geleid tot een meer marktconforme waardering, kan niet worden ontkend dat de kadastrale inkomens in stedelijke gebieden vaak veel hoger zijn dan deze in meer landelijke gebieden. In elk geval zou de Belgische Staat een behoorlijk groot ambtenarenapparaat moeten opzetten voor de inning van deze vermogensbelasting. En dat strookt nu eenmaal niet met het concept van een efficiënte overheid. Tenslotte zou een vermogensbelasting sowieso geleid hebben tot een vlucht van vermogen of vermogende particulieren, hetgeen de verwachte opbrengst eveneens bijzonder onzeker maakt. Dit alles heeft ertoe geleid dat in het regeerakkoord geen invoering van een vermogensbelasting werd opgenomen.

Interesten en dividenden
Wat is er dan in de plaats gekomen? Uit het finale document blijkt alvast dat de onderhandelaars vooral pragmatische beslissingen hebben genomen die iets sneller uitvoerbaar zijn en effectief opbrengsten zullen opleveren voor de schatkist. De meest in het oog springende maatregel is dan ook de verhoging van de belasting op interesten en dividenden. Wanneer een Belgische bankinstelling of Belgische vennootschap deze interesten en dividenden uitbetaalt, functioneert zij als het verlengde van de fiscus door de verschuldigde belasting rechtstreeks in te houden en door te storten aan de schatkist. Doordat deze financiële tussenpersonen veel eenvoudiger te controleren zijn dan de genieters van de inkomsten, is deze belasting efficiënt voor de fiscus. Een verhoging van het tarief lag dus voor de hand. Bovendien was het huidige tarief van 15% in het verleden reeds hoger, zodat hier een zekere ruimte was om de belasting te verhogen.
In veel gevallen zal de belasting op interesten en dividenden vanaf 1 januari 2012 dan ook 25% bedragen, weliswaar met enkele, sociaal geïnspireerde uitzonderingen. Zo blijft het fiscale regime van de gereglementeerde spaarboekjes onveranderd. Zoals bekend is de eerste 1.770 euro (inkomsten 2011) aan ontvangen rente belastingvrij. De piste om deze belastingvrijstelling toe te staan via een terugbetaling op het aanslagbiljet en de banken steeds een bronheffing te laten inhouden, werd verlaten. Hier verandert er dus niets.
Aan de andere kant van het spectrum, bij dividenden waarvoor de aanslagvoet nu reeds 25% bedraagt, verandert er evenmin iets. Deze blijven tegen het huidige tarief belastbaar. De grootste aanpassingen doen zich voor bij interesten en dividenden die nu belastbaar zijn tegen 15%. Deze laatste zijn in beursmiddens bekend als ‘VVPR’ aandelen, wat een typisch Belgische afkorting is voor ‘verlaagde voorheffing – précompte réduit’. Voor deze inkomsten verhoogt het belastingtarief in eerste instantie tot 21%.

Roerende inkomsten
Daarboven voert de nieuwe regering een ‘solidariteitsbijdrage’ in van 4% wanneer de belastingplichtige in de loop van het jaar meer dan 20.000 euro aan roerende inkomsten ontvangt. Voor de berekening van deze drempel tellen niet alleen inkomsten van bancaire beleggingen mee, maar ook de rente die bestuurders en andere personen ontvangen van vorderingen op vennootschappen (onder meer creditsaldi in rekening-courant), of bepaalde dividenden die zij ontvangen. Deze solidariteitsbijdrage, die pas geldt vanaf de eerste euro boven de 20.000 per belastingplichtige, voert dus een zekere mate van progressiviteit in bij de belasting op roerende inkomsten. Dit lijkt de politieke pasmunt te zijn geweest voor de geplande invoering van een vermogensbelasting. De inning van deze solidariteitsbijdrage is bijzonder. De regeringsnota wil een optioneel systeem invoeren, met een bronheffing van 25% op alle roerende inkomsten en nadien een teruggave van het onverschuldigde deel via de aangifte personenbelasting, dan wel dat de belastingplichtige aan de bank meldt dat slechts 21% roerende voorheffing is verschuldigd met een opvolgende informatieplicht door de bank aan de Belgische Nationale Bank. Dit impliceert dan wel een zeker verlies van discretie tegenover de fiscus. In dit verband wordt trouwens ook de verplichte registratie verwacht van alle buitenlandse bankrekeningen bij een specifieke afdeling van de Nationale Bank.

Enigszins onverwacht is het geplande behoud van een aantal vrijstellingsmodaliteiten. Het is uiteraard niet uitgesloten dat hieraan nog wijzigingen kunnen komen in de loop van de regeerperiode. Voorlopig lijkt er echter geen wijziging te komen aan het bestaande statuut van de beleggingsverzekeringen (bekend als ‘TAK 21’ en ‘TAK 23’) en sommige kapitalisatiebeveks. Voor deze laatste zou de beurstaks wel licht verhoogd worden. Ook het tarief van 10% dat van toepassing is op reserves die een vennootschap in vereffening uitkeert aan haar aandeelhouders, blijft behouden. Dit laatste staat zelfs expliciet in het regeerakkoord. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de vereffening van een vennootschap in heel wat gevallen precies het pensioenkapitaal van de bedrijfsleider uitmaakt en men dit wil vrijwaren.

Vrijstelling meerwaarden op aandelen
Voor bedrijfsleiders die de aandelen van hun onderneming verkopen aan een derde en daarbij een substantiële meerwaarde realiseren, verandert er op het eerste zicht ook weinig. Zoals bekend is deze privé meerwaarde geen belastbaar inkomen, indien de verkoop kadert binnen het zogenaamde ‘normale beheer van het privé vermogen’. Daarbuiten, bv. bij speculatieve verrichtingen, bedraagt de aanslagvoet 33%. Het regeerakkoord voorziet in elk geval geen wijzigingen aan het fiscaal regime van meerwaarden op aandelen die privé personen behalen, en dit ongeacht of het gaat om beperkte aandelentransacties van beursgenoteerde aandelen, dan wel om de verkoop van een meerderheidsbelang. De huidige de facto vrijstelling van meerwaarden bij het, al dan niet discretionair beheer van beleggingsportefeuilles, blijft dus behouden. En dat is misschien nog wel het beste fiscale nieuws, nu een belasting op deze meerwaarden een herstel van de portefeuilles die investeren in beursgenoteerde effecten, na de verscheidene crashes wel zeer zou hebben bemoeilijkt. In het aanvankelijk voorstel van formateur Di Rupo was trouwens voorzien in een belastingtarief van 50% bij meerwaarden die tijdens het eerste jaar zouden worden gerealiseerd.
Tenslotte is er nog de verwachte maar niet dramatische stijging van de beurstaksen bij de aan- en verkoop van effecten. Het standaardtarief van 0,17% wordt daar opgetrokken tot 0,22% en het plafond stijgt naar 650 euro per verrichting in plaats van 500 euro. Voor bepaalde beleggingen (onder andere kapitalisatiebeveks) gelden er iets hogere tarieven.

Maatregelen van belang voor bedrijfsleiders
In tegenstelling tot privébeleggers, lijken bepaalde bedrijfsleiders er minder goed van af te komen. Vooral de courante praktijk van de toekenning van voordelen in natura die konden genieten van een gunstige forfaitaire waardering, zal in een aantal gevallen veel zwaarder worden belast. Het standaardvoorbeeld hiervan is de bedrijfswagen die de bedrijfsleider ook voor privé verplaatsingen mag gebruiken. Dit voordeel wordt beschouwd als een belastbare bezoldiging, die tot nu toe forfaitair werd berekend op basis van de CO2 waarde van de motor. Grote bedrijfswagens met een relatief bescheiden motor werden vrij licht belast. Dit verandert door ook de cataloguswaarde van het voertuig in de berekening te betrekken. Voortaan kan dit leiden tot een belasting die maximaal 18% van de cataloguswaarde bedraagt.
Ook de kosteloze terbeschikkingstelling van een woning door een vennootschap aan haar bestuurders, wordt veel duurder. De personenbelasting op dit voordeel zal quasi verdubbelen. De berekeningsbasis van het voordeel blijft gebaseerd op het (historische) kadastrale inkomen, maar de correctiefactor stijgt met 90%. Indien de betrokken vennootschap ook de kosten voor verwarming en elektriciteit op haar neemt, stijgt het voordeel nog forfaitair naar respectievelijk 1.820 en 910 euro (in plaats van 1.640 en 820 euro).
In een aantal gevallen zal de waarde van het belastbaar voordeel in natura hoger zijn dan de effectieve huurwaarde van de betrokken woning. Voor de vennootschap die de woning ter beschikking stelt, lijkt er minder te veranderen. De fiscus zal wel strenger toezien op bepaalde, als fiscaal agressief beschouwde structuren voor de financiering van privévastgoed (o.a. de zogenaamde ‘turbovruchtgebruikconstructies’). Dit past ook binnen de geplande aanscherping van de algemene antimisbruikbepaling die meer oog wil hebben voor de economische realiteit, ten nadele van de juridische context.
Tenslotte zal het fiscaal regime van de aanvullende pensioenen voor bedrijfsleiders aangepast worden. Thans kan de betrokken vennootschap een voorziening aanleggen waardoor de bedrijfsleider na pensionering een kapitaal ter beschikking krijgt, waardoor hij bij pensionering 80% behoudt van zijn laatste bezoldiging. Voortaan is de vennootschap verplicht om deze voorziening extern te financieren bij een verzekeringsinstelling, met toepassing van een premietaks van 4,4%. De aftrek zal ook geplafonneerd worden tot het niveau van het ‘hoogste overheidspensioen’.

Aanpassingen aan de vennootschapsbelasting
De meest in het oog springende maatregel in de vennootschapsbelasting is de beperking van de zogenaamde ‘notionele interestaftrek’. Deze aftrek die enkele jaren geleden werd ingevoerd en sindsdien een groot succes kende, was bedoeld om de verschillende fiscale behandeling weg te werken die er bestond tussen de schuldfinanciering van een vennootschap en de aandeelhoudersfinanciering. Vennootschappen konden voortaan een bepaalde, jaarlijks vast te stellen rentevoet, in mindering brengen van hun belastbare grondslag, net zoals de interest van externe schuldfinanciering principieel aftrekbaar is. Dit regime blijkt bijzonder attractief te zijn voor bepaalde multinationals, om hun financieringsactiviteiten in België te vestigen, maar die afgeschrikt werden door het tarief van 33,99% in de vennootschapsbelasting, wat bijna het hoogste is van Europa. Voor grote ondernemingen daalt de aftrek met iets meer dan 12% (van 3,425% naar 3%). Voor kleine en middelgrote bedrijven daalt de aftrek met iets meer dan 10% (van 3,925% naar 3,5%).
Een tweede aanpassing in de vennootschapsbelasting is het onderwerpen van meerwaarden die een vennootschap realiseert bij de verkoop van aandelen tijdens het eerste jaar dat ze in bezit zijn, aan een belasting van 25%. De omvang van de verkochte participatie is zonder belang. Eventuele minderwaarden zijn nooit aftrekbaar. Wanneer de aandelen langer dan één jaar in bezit zijn van de vennootschap, is de meerwaarde veelal volledig vrijgesteld. Ook het fiscale regime van dividenden die een (holding)vennootschap ontvangt blijft ongewijzigd. Holdingvennootschappen met een participatie van minstens 10% of met een aanschaffingswaarde van minstens 2.500.000 euro kunnen de ontvangen dividenden onder een aantal voorwaarden, voor 95% in mindering brengen van hun belastbaar resultaat. De kosten (bv. financieringslasten) blijven aftrekbaar. Globaal beschouwd behoudt België dus een fiscaal vrij gunstig holdingregime, mede omwille van zijn uitgebreid netwerk aan dubbelbelastingverdragen.
Tenslotte zijn er nog enkele, vrij technische wijzigingen te verwachten in de vennootschapsbelasting (onder meer een algemene “thin cap rule” van 5/1 debt equity) en een ruimer toepassingsgebied van de algemene antimisbruikbepaling.

Overige maatregelen
Net zoals in elk regeerakkoord bevat de huidige tekst ook talloze diverse maatregelen, waaronder de beperkte aftrek voor milieuvriendelijke investeringen aan de woning en de afschaffing van de fiscale korting voor de aankoop van wagens met een lage CO2 uitstoot.
Bijzondere aandacht verdient de taks van 1% op de omzetting van effecten aan toonder van Belgische rechtspersonen, in gedematerialiseerde aandelen of aandelen op naam. Deze taks wil de algehele afschaffing van toondereffecten, die voorzien was op 31 december 2013 bespoedigen en zal 1% bedragen in 2012 en 2% in 2013.
Er zal voortaan 21% BTW verschuldigd zijn over prestaties van notarissen en gerechtsdeurwaarders. Voor advocaten zijn er nog geen concrete plannen voor de toepassing van de BTW.
Tenslotte zal er een gefaseerde verlaging komen van het drempelbedrag van 15.000 euro van het verbod voor cash betalingen tot 3.000 euro en een uitbreiding van dit verbod tot dienstverrichtingen.

Besluit
Het belang van sommige teksten is eerder gelegen in wat ze niet zeggen, dan de maatregelen die wel zijn opgenomen. Voor privébeleggers lijken de voorgestelde maatregelen al bij al nog mee te vallen. Er komt geen vermogensbelasting en geen meerwaardenbelasting. Ook de bestaande fiscaal gunstige regimes voor beleggingen, waaronder de beleggingsverzekeringen TAK 21 en 23 en de kapitalisatiebeveks blijven momenteel behouden. Voor interesten en dividenden die konden genieten van het tarief van 15% is de situatie minder gunstig. In veel gevallen zal de effectieve belasting daarop 25% bedragen, door toedoen van de ‘solidariteitsbijdrage’ van 4%.
Voor Belgische holdingvennootschappen en financieringsvennootschappen lijkt er evenmin veel te veranderen. Enkel het tarief van de notionele interestaftrek daalt licht en sommige ‘speculatieve’ meerwaarden zijn niet langer vrijgesteld.
Voor bedrijfsleiders die voordelen in natura genieten van hun vennootschap (bedrijfswagen, gratis woonst, aanvullend pensioenkapitaal) is de sit
atie veel minder gunstig. De waardering van deze voordelen wordt herzien, hetgeen kan leiden tot een substantieel hogere personenbelasting.
De cruciale vraag rijst evenwel of de fiscale opbrengst van al deze maatregelen wel zal volstaan om de Belgische begroting te laten voldoen aan de strengere Europese normen, op een ogenblik dat de economie in een krimpscenario terechtkomt, terwijl de nuttig bruikbare regeerperiode van premier Di Rupo door de lang aanslepende onderhandelingen slechts twee en aan half jaar meer bedraagt. Het valt dus niet uit te sluiten dat in de toekomst nog andere nieuwe fiscale maatregelen zullen worden aangekondigd.
hits=761= / id=2012=