Schendingen van het Europees Gemeenschapsrecht. Grensoverschrijdend vervoer

In Archiefby robert

Met betrekking tot het grensoverschrijdend vervoer doen zich een aantal zaken voor die naar de opvatting van europarlementariër Ria Oomen-Ruijten (CDA- PPE) in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht. Zij stelde enige vragen aan de Europese Commissie (E-007608/2011). Antwoorden hierop zijn van de heer Kallas commissaris voor vervoer bij de Europese Commissie (E-007608/2011)

Omnipas 65+
Alle inwoners van Vlaanderen die 65 jaar of ouder zijn, hebben recht op een Omnipas 65+, zodat zij gebruik kunnen maken van gratis openbaar busvervoer. De Vlaamse openbaarvervoeronderneming De Lijn weigert inwoners (65+) van andere lidstaten (waaronder Nederland) het recht op gratis busvervoer. Is deze weigering in strijd met artikel 18, resp. 21 VWEU? (zie ook NederBelgischMagazine september 2011, blz 84)
Antwoord: De Commissie is op de hoogte van de problemen in verband met de Omnipas 65+ in België. Op grond van artikel 18 VWEU is elke (directe of indirecte) discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Dit geldt voor alle vervoersmiddelen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie verbieden de regels inzake gelijke behandeling niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit maar alle vormen van verkapte discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Omdat het niet alleen in België en Nederland, maar ook in talrijke andere lidstaten gebruikelijk is voor lokaal openbaar vervoer tariefkortingen toe te kennen aan bepaalde groepen reizigers op basis van hun plaatselijke woonplaats en/of andere criteria (zoals de hoedanigheid van student of gepensioneerde, een handicap of andere), heeft de Commissie besloten deze kwestie grondiger te onderzoeken. Zij zal in dat verband opdracht geven tot een studie over mogelijke differentiatie van openbaarvervoertarieven en beste praktijken in de EU. De resultaten van die studie moeten de Commissie de nodige informatie verschaffen om een coherente visie te kunnen ontwikkelen inzake niet discriminerende openbaarvervoertarieven, met name op lokaal niveau.
In ieder geval behoudt de Commissie zich het recht voor passende maatregelen te nemen, eventueel op grond van artikel 258 VWEU, om een einde te maken aan elke inbreuk op het Verdrag die in specifieke gevallen kan worden aangetoond.

Openbaar vervoer in Nederland
Inwoners van Nederland kunnen een persoonlijke chipkaart voor het openbaar vervoer aanvragen. De persoonlijke chipkaart geeft recht op bepaalde kortingen en biedt de mogelijkheid tot automatische bankafschrijving, enz. Inwoners van Duitsland en België, die in Nederland als grensarbeider werken, komen niet in aanmerking voor deze persoonlijke chipkaart. Is deze regeling in strijd met artikel 18, resp. 21 VWEU en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 492/2011?
Antwoord: Met betrekking tot de Nederlandse OV-chipkaart moet worden gewezen op artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarin bepaald is dat iedere burger van de Unie het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Artikel 45 VWEU regelt specifiek het vrije verkeer van werknemers. De specifieke voorwaarden zijn vastgesteld bij Richtlijn 2004/38/EG en Verordening (EU) nr. 492/2011. EU-burgers die in een lidstaat verblijven en in een andere lidstaat werken (grensarbeiders), vallen ook onder de EU-wetgeving inzake het vrije verkeer van werknemers in de lidstaat waar ze in loondienst werken.
Krachtens artikel 7, lid 2, van Verordening 492/2011 hebben migrerende werknemers vanaf hun eerste werkdag in de ontvangende lidstaat recht op dezelfde sociale voordelen als nationale werknemers. Het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het begrip sociaal voordeel alle voordelen omvat die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de EU te vergemakkelijken. Het begrip sociaal voordeel is erg ruim en omvat financiële uitkeringen en niet-financiële voordelen, die gewoonlijk niet als sociale voordelen worden beschouwd.
Uit een eerste beoordeling op basis van de meegedeelde informatie – een persoonlijke OV-chipkaart die de gebruiker recht geeft op bepaalde kortingen – blijkt dat de weigering van Nederland om een dergelijke kaart aan EU-werknemers te verstrekken mogelijk in strijd is met het EU-recht en met name artikel 7, lid 2, van Verordening 492/2011.

Gemeentelijk schoolvervoer
Een in Nederland wonend gezin heeft voor een meervoudig gehandicapt kind aanspraak op gemeentelijk schoolvervoer. Als voorwaarde geldt dat de school in Nederland gelegen moet zijn (art. 1, resp. 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs). De Nederlandse gemeente Maastricht weigert een dergelijk vergoeding indien het kind onderwijs volgt aan een vergelijkbare Belgische school, die veel dichter bij Maastricht gelegen is (Het vervoer is ook goedkoper). Is de Nederlandse wetgeving niet in strijd met artikel 21 VWEU, omdat het Nederlandse gezin door deze wetgeving ontmoedigd wordt om gebruik te maken van het recht om vrij op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven om er onderwijs te genieten?
Antwoord: De Commissie wijst er in de eerste plaats op dat de toekenning van de genoemde vergoeding een bevoegdheid is van de lidstaten. De lidstaten dienen die bevoegdheid evenwel uit te oefenen met inachtneming van het EU-recht en met name de verdragsbepalingen op grond waarvan elke EU-burger het recht heeft zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. In dit verband heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie steeds geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die bepaalde nationale onderdanen benadeelt, louter omdat zij hun recht om in een andere lidstaat vrij te reizen en te verblijven hebben uitgeoefend, een beperking vormt van de vrijheden die elke burger van de Unie geniet op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Zaak C-406/04 De Cuyper [2006] Jurispr. I?6947, punt 39).
Indien de betrokken vergoeding wordt toegekend in het kader van de Nederlandse wetgeving inzake secundair onderwijs is de Commissie van oordeel dat de weigering een vergoeding toe te kennen aan kinderen die in een andere lidstaat school lopen, niet kan worden beschouwd als een beperking van de vrijheden op grond van artikel 21 VWEU als hierboven bedoeld, aangezien deze kinderen zich niet langer in een vergelijkbare situatie bevinden als kinderen die in Nederland naar school gaan.
De Commissie is derhalve van oordeel dat de betrokken lidstaat in dit geval zijn bevoegdheden niet heeft overschreden en dat de beperking van dergelijke vergoedingen tot kinderen die in Nederland naar school gaan, niet strijdig is met artikel 21 VWEU.

hits=0= / id=2003=