De 30%-regeling

In Archiefby robert

Zoals België de kaderregeling kent, zo heeft Nederland de 30%-regeling (ook wel expatregeling genoemd). Deze is bedoeld om extra kosten te compenseren, die worden gemaakt door uit het buitenland afkomstige schaarse en specifiek deskundige werknemers. Aan werknemers die voor deze regeling in aanmerking komen kan grofweg 30% van hun loon onbelast vergoed worden. Het kan daarom voordelig zijn om werknemers onder deze regeling te krijgen, waarbij de belastingdienst iedere aanvraag kritisch zal bekijken. Dit heeft de afgelopen maanden tot opvallend veel gerechtelijke uitspraken geleid én tot voorstellen voor nieuwe wetgeving. Eerst zal ik kort op de uitspraken ingaan en daarna op het wetsvoorstel.

Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2011:
In deze procedure is het de vraag of een buitenlandse werknemer nog recht heeft op de voordelen, als hij inmiddels is teruggekeerd naar zijn eigen land, maar nog wel inkomen uit de Nederlandse dienstbetrekking ontvangt (inkomsten uit aandelenopties). Het gerechtshof bepaalt dat de 30%-regeling van toepassing is op alle inkomsten – dus ook variabele loonbestanddelen – als die maar zijn toe te rekenen aan de periode waarin de werknemer aan de voorwaarden voldeed. Er moet dus sprake zijn van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Of de werknemer op het genietingsmoment daadwerkelijk nog in Nederland woont, doet niet ter zake. Ook is het niet relevant of het loon oorspronkelijk voorwaardelijk was of niet.

Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2011:
Het gaat hier om een in het buitenland woonachtige voetbaltrainer met een buitenlandse nationaliteit, die een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse voetbalclub (werkgever) sluit. Volgens het Hof beschikt de voetbaltrainer ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst niet over specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.

Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2011:
De regeling kan in beginsel niet aangevraagd worden als men vooraf al in Nederland woont. In deze situatie is sprake van een man van Roemeense nationaliteit die in Roemenië en Duitsland studeert, terwijl zijn vriendin in Nederland studeert. Hij heeft zich in Nederland bij zijn vriendin ingeschreven en heeft een aantal sollicitatiegesprekken in Nederland. Daarna vertrekt hij naar Roemenië, waar hij een woonruimte heeft. Enige maanden later solliciteert hij weer in Nederland en wordt hij aangenomen. Volgens het Hof waren zijn banden op het moment van aanwerven niet zodanig nauw, dat hij op dat moment al in Nederland woonachtig was.

Hof ’s-Gravenhage 22 juni 2011:
Hier gaat het om een man van Duitse nationaliteit, in Duitsland woont en in 2007 bij een Nederlandse werkgever in dienst treedt als eerste pijpfitter. Het Hof oordeelt dat van een ervaren pijpfitter, zoals belanghebbende, niet kan worden gezegd dat hij over een specifieke deskundigheid beschikt in de zin van de 30%-regeling.

Hof ’s-Gravenhage 5 juli 2011:
In deze casus wil een Nederlandse tandarts gebruik maken van de 30%-regeling. Hij stelt dat het niet rechtvaardig is dat tandartsen afkomstig uit het buitenland de regeling wel mogen toepassen en hij niet. Het Hof stelt de belastingdienst in het gelijk. De 30%-regeling is bedoeld voor uit het buitenland geworven werknemers die extraterritoriale kosten maken.

Hof ’s-Gravenhage 26 juli 2011:
De vraag die hier aan de orde komt, is of de 30%-regeling ook van toepassing is op een ontslagvergoeding. Het hof kijkt hierbij naar de arbeidsovereenkomst. Daaruit blijkt dat de ontslagvergoeding gefixeerd is op één bruto jaarsalaris en (dus) niet afhankelijk is van de duur en omvang van de door de directeur verrichte arbeid. Omdat de grondslag van de 30%-regeling beperkt is tot loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, en niet van toepassing is op loon uit vroegere dienstbetrekking, is deze ook niet van toepassing op de ontslagvergoeding.

Hoge Raad 16 september 2011:
In deze casus gaat het om een in België woonachtige radiologe, die in mei 2002 toetreedt tot de maatschap van een ziekenhuis in Nederland. Vier jaar later richt ze een eigen B.V. op, waarin ze haar maatschapsaandeel inbrengt. Ze komt vervolgens in dienst bij de B.V. en vraagt hiervoor de 30%-regeling aan. De Hoge Raad oordeelt dat niet gesproken kan worden van een ingenomen werknemer. Op het moment dat ze in dienst komt van haar eigen B.V. was ze immers al –als ondernemer- in Nederland werkzaam.
hits=0= / id=1769=