Zorgverzekering naar het EU-Hof? Nederlandse gepensioneerden in het buitenland gehoord

In Archiefby robert

Onlangs heeft de hoorzitting voor de Centrale Raad van Beroep plaats gehad. Dit was het vierde proces die Nederlandse gepensioneerden in het buitenland voeren tegen de heffing van de zorgverzekeringsbijdrage. Het is de laatste kans. Is het andermaal ‘niet ontvankelijk??’ of een simpel ‘neen’, dan kunnen de gepensioneerden dit pad van gerechtelijke procedures niet verder meer bewandelen.

Op donderdag 15 januari 2009 togen eisers die zich verenigen in de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB) en hun advocaat naar de rechtbank in Utrecht. De tegenpartij is het College voor zorgverzekeringen (CVZ) dat de uitvoering van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) coördineert en financiert. Centraal stond de pleitnota van de advocaat van de stichting. Deze nota concentreert zich rond drie geschilpunten: het inschrijven bij de ziekenkas van de woonplaats, het heffen van de bijdrage door het CVZ en de berekening van de woonlandfactor.

Inschrijven bij de ziekenkas
Het CVZ stelt zich op het standpunt dat alle fiscaal in het buitenland wonende Nederlanders, die een AOW-uitkering, een Nederlands pensioen of andere Nederlandse inkomsten ontvangen, automatisch (afgezien van enkele uitzonderingen) in Nederland een bijdrage (premie dus eigenlijk) moeten betalen voor de zorg, die zij in het woonland van het ziekenfonds aldaar zouden kunnen ontvangen. Of ze die nu daadwerkelijk ontvangen of niet, met andere woorden of ze nu wel of niet ingeschreven zijn bij dat ziekenfonds, maakt volgens het CVZ niets uit.
De advocaat van de stichting daarentegen is van mening: géén inschrijving bij het ziekenfonds van de woonplaats, dan ook géén recht op zorg in het woonland, dus ook géén recht van Nederland om een bijdrage in te houden.
Hij toont aan dat de niet bij het ziekenfonds van het woonland ingeschreven Nederlander ook géén recht op zorg heeft in dat woonland, terwijl het woonland ook pas na die inschrijving bij Nederland een forfaitair bedrag voor de verzekerde in rekening kan brengen. Inschrijving is dus noodzakelijk. Er bestaat géén recht op verstrekkingen voordat is ingeschreven, ook niet met terugwerkende kracht. Dus, géén inschrijving betekent géén recht op zorg en dus géén heffing van een bijdrage.
Bovendien staat in het van toepassing zijnde wetsartikel (33Vo), dat een bijdrage door het CVZ slechts geheven mag worden, voorzover (dit woord is essentieel in het wetsartikel) er door het woonland aan Nederland kosten (voor de verzekerde) in rekening worden gebracht. Maar als er geen inschrijving heeft plaatsgevonden, worden er door het woonland geen kosten aan Nederland in rekening gebracht. Er is dan namelijk geen ‘verzekerde’.
De advocaat van de stichting vindt dat er daarom door het Europese Hof van Justitie een oordeel gegeven zou moeten worden over de uitleg van artikel 33 Vo.1408/71 en formuleert twee prejudiciele vragen, die hiertoe aan dit Hof zouden moeten worden voorgelegd.

Het heffen door CVZ
De advocaat van de stichting stelt dat de Zvw-bijdrage eigenlijk onder het hoofdje ‘belasting’ valt. Volgens het Europese recht wordt namelijk een heffing niet als belasting beschouwd als er een direct verband bestaat tussen de heffing en de voordelen, die de persoon (waarvan geheven wordt) ervan heeft. Daar er niet een automatisch vaststaande verzekering staat tegenover de Zvw-bijdrage: de bijdrageplichtige heeft juist géén recht meer op zorg in Nederland en het CVZ heft zélfs als er géén inschrijving bij het woonland-ziekenfonds heeft plaats gevonden (en er dus géén recht op zorg bestaat) moet de CVZ-bijdrage gezien worden als een belasting.
Nederland heeft bilaterale belastingverdragen met België, Spanje, Frankrijk, Italië en Ierland. Volgens deze verdragen zouden AOW-inkomsten belast moeten worden in het woonland. Alleen ambtenarenpensioenen zijn, conform deze verdragen, hiervan uitgezonderd. Dus kan Nederland geen Zvw-bijdrage heffen over AOW-inkomsten (wél over ambtenarenpensioenen).

Berekening woonlandfactor
De advocaat van de stichting stelt dat de berekening van de woonlandfactor in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien is deze berekening een daad van bestuurlijke willekeur. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, want de kosten die door het woonland voor de zorg aan gepensioneerden in rekening worden gebracht aan Nederland zijn aanzienlijk lager dan de kosten die in Nederland zelf voor zorg aan gepensioneerden worden gemaakt. Dit verschil komt voornamelijk door het ontbreken van de AWBZ in het woonland. Bij de vaststelling van de woonlandfactor is hiermee geen rekening gehouden.
Bovendien worden met name de gepensioneerden benadeeld door bij de vaststelling van de woonlandfactor de kosten voor zorg voor de gehele bevolking van het woonland met die van Nederland te vergelijken. Dit geeft een totaal vertekend beeld, daar juist de kosten voor gepensioneerden in Nederland sterk stijgen. In het woonland is dit niet zo omdat er nauwelijks AWBZ bestaat. Vaststelling van de woonlandfactor is alleen eerlijk als dit zou geschieden op basis van een vergelijking van de kosten van zorg voor gepensioneerden in het woonland en die voor gepensioneerden in Nederland. Zoals de woonlandfactor nu wordt berekend is hij dus juist in strijd met het solidariteitsbeginsel.

Het is bovendien een daad van bestuurlijke willekeur. De overheid heeft aangevoerd dat het te lastig (!) was om de woonlandfactor op de door de advocaat van de stichting voorgestane wijze te berekenen. Falen en onmacht van de administratie om iets te berekenen mag natuurlijk geen rechtvaardiging zijn om een en ander dan maar op een gemakkelijk te berekenen onjuiste wijze vast te stellen.
Tenslotte is de advocaat van mening dat de Rechtbank van Amsterdam de vaststelling van de woonlandfactor had moeten toetsen aan deze twee beginselen. Door vaststelling van de woonlandfactor is er iets minder sprake van ongelijkheid en willekeur dan er heel in het begin bij de invoering van de Zvw was, maar hij is er nog zeker wél. Ter ondersteuning worden een tweetal arresten aangevoerd.

Conclusie van de advocaat van de stichting: de bestreden uitspraken zouden moeten worden vernietigd en verzocht wordt om prejudiciële vragen met betrekking tot de uitleg van artikel 33 Vo.1408/71 aan het Europese Hof van Justitie te Luxemburg voor te leggen.
Het vonnis wordt gewezen uiterlijk binnen twaalf weken ná 15 januari 2009.

hits=3= / id=1617=