Sterfhuisclausule: de rechtspraak versus de fiscale administratie (vervolg)

In Archiefby robert

De sterfhuisclausule is een clausule, in extremis toegevoegd aan de huwelijksvoorwaarden, waardoor het ganse gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld aan de niet terminaal zieke echtgenoot, met naam genoemd. Omdat de niet-terminaal zieke echtgenoot het gemeenschappelijk vermogen zonder voorwaarde van overleving bekomt, is deze toebedeling vrij van successierechten. De fiscale administratie verzet zich tegen deze vrijstelling, maar krijgt voor de tweede maal ongelijk van de bodemrechter. Op 11 september 2012 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen zich gunstig uitgesproken over de geldigheid en de onbelastbaarheid van de sterfhuisclausule. De rechter concludeert dat de sterfhuisclausule niet belastbaar is op grond van artikel 2 W.Succ. Artikel 5 W.Succ. is evenmin van toepassing, omdat de toebedeling op grond van een sterfhuisclausule onvoorwaardelijk is. Art. 7 W.Succ. komt evenmin in aanmerking omdat een sterfhuisclausule geen schenking is. Ten slotte is er geen sprake van veinzing omdat de echtgenoten alle gevolgen van de clausule aanvaarden. De uitspraak treedt op alle vlakken de visie van het Hof van Cassatie dd. 10 december 2010 bij en ligt dan ook geheel in lijn met het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel dd. 6 januari 2012 (NBM maart 2012). Tegen dit laatste vonnis heeft de fiscale administratie hoger beroep ingesteld. Wellicht zal de fiscale administratie ook tegen het besproken vonnis beroep aantekenen. Uit één en ander volgt dat de sterfhuisclausule nog steeds bruikbaar is in een in extremis situatie, althans indien de langstlevende echtgenoot bereid is te procederen. In deze procedure kan wel een vergoeding worden gevorderd van de Belgische Staat wegens “tergend en roekeloos geding”, omdat de fiscale administratie zich ten onrechte niet neerlegt bij het voormelde arrest van het Hof van Cassatie.

hits=2= / id=1525=