Akkoord over de tax shift en de begroting 2016

In Archiefby robert

Op 24 juli 2015 bereikte de regering een akkoord over de krachtlijnen van de begroting 2016 en de zogenaamde tax shift die eerder werd afgesproken in het regeerakkoord. Deze zou tussen 2014 en 2018 een bedrag van 7,2 miljard euro moeten vrijmaken. Over de draagwijdte en de uitvoering van de verschillende maatregelen, bestaat echter nog geen zekerheid. Hieronder volgt een bondig overzicht op basis van de momenteel beschikbare informatie.

Eerst en vooral blijven we voorlopig gespaard van een vermogensbelasting of vermogenswinstbelasting. Dat betekent dan ook dat meerwaarden op privé aangehouden aandelen vooralsnog in principe onbelast blijven. Wel zou er een akkoord zijn over de invoering van een speculatiebelasting die beleggers moeten betalen indien ze hun effecten binnen de 6 maanden met winst verkopen. Het tarief zou 27% kunnen bedragen, maar ook 25% of 33% is mogelijk. De belasting zou toepasselijk zijn op zowel natuurlijke als rechtspersonen. Minderwaarden zouden aftrekbaar zijn van de belastbare basis. Hoe deze belasting er verder concreet zal uitzien, is echter nog onduidelijk.

 

Wat verandert er nog? Met de tax shift verschuift de regering de lasten op arbeid naar andere inkomstenbronnen. Het standaardtarief van de roerende voorheffing van 25% zal opgetrokken worden naar 27% vanaf 1 januari 2017. Ook zouden er enkele uitzonderingen op het algemeen tarief van 25% sneuvelen. Zo zal het tarief van 15% dat toepasselijk was op dividenden van residentiële vastgoedbevaks wellicht ook worden opgetrokken naar 27%. Dit zou ook gelden voor de roerende voorheffing op interesten van thematische volksleningen. Het uitzonderingstarief blijft evenwel overeind voor de gewone spaarboekjes. Interesten op de eerste schijf van 1880 euro blijven dus vrijgesteld en voor het meerdere blijft het tarief van de roerende voorheffing van 15% behouden. Nog niet helemaal zeker is of het gunsttarief van 15% voor KMO dividenden overeind blijft.

Er zou ook een herberekening zijn van de jaarlijkse opbrengsten van de ‘Kaaimantaks’. Ook voor het aanslagjaar 2016 moet men in de aangifte in de personenbelasting het bestaan vermelden van een juridische constructie. De verplichting om het bestaan van een juridische constructie te melden bestond reeds voordien (aanslagjaren 2014 en 2015). Het bestaan van een juridische constructie van het tweede type (met rechtspersoonlijkheid) dient vanaf aanslagjaar 2016 nog slechts te worden aangegeven als zij minder dan 15% wordt belast op haar inkomsten. Momenteel circuleert op regeringsniveau een idee om de meldplicht (dus niet de kaaimantaks as such) opnieuw uit te breiden. Het bestaan van de juridische constructie zou dan ook gemeld moeten worden in de aangifte personenbelasting als ze tegen minstens 15%, maar niet meer dan 27%, wordt belast. Dergelijke constructies zouden wel uitgesloten blijven van de Kaaimantaks zelf. Ook overweegt men om het formulier van de aangifte personenbelasting uit te breiden (met een deel III) waarin de inkomsten uit juridische constructies apart zouden moeten worden aangegeven. Dat zou toelaten om de concrete opbrengsten van de Kaaimantaks in kaart te brengen. Over de concrete aanpassingen bestaat nog geen definitieve beslissing.

 

Vanaf 2017 komt er een nieuw stelsel van ‘permanente’ fiscale en sociale regularisatie. De laatste fiscale regularisatieronde liep af op 31 december 2013. Voordien werden reeds enkele ‘eenmalige’ regularisatierondes doorgevoerd. Over de voorwaarden en tarieven van de nieuwe regularisatie is evenwel nog geen beslissing genomen.

Een aantal nieuwe maatregelen zal elke consument voelen: de verhoging van de BTW op elektriciteit van 6 naar 21%, de verhoging van accijnzen op diesel, tabak en alcohol of de invoering van een taks op ongezond voedsel.