Vlabel spreekt zich uit over de Liechtensteinse Stiftung

In Archiefby robert

Voor het eerst sinds de overdracht van de schenk- en erfbelasting naar het Vlaamse niveau, heeft de Vlaamse Belastingdienst (hierna ‘Vlabel’) zich uitgesproken over de fiscale behandeling van de Liechtensteinse Stiftung. Vlabel lijkt te breken met het gunstige standpunt dat sinds een aantal jaren wordt ingenomen door de federale rulingdienst (Vlaamse Voorafgaande Beslissing nr. 16025 van 27 juni 2016).

Concreet gaat het over de volgende situatie: Vader draagt een bepaald vermogen over aan een Liechtensteinse Stiftung (hierna ‘Stichting’). In de statuten van de Stichting (of in een apart document) is bepaald dat het overgedragen vermogen uiteindelijk (dit is na zijn overlijden) bij een bepaalde groep personen moet terechtkomen. Doorgaans zijn dit de erfgenamen van vader.

De federale rulingdienst oordeelt sedert enkele jaren dat op een dergelijke overdracht van vermogen via een Stichting aan de erfgenamen géén successierechten verschuldigd zijn. Daarbij worden de volgende argumenten aangehaald:

– Vooreerst aanvaardt men dat een Stichting een zelfstandige juridische persoon is met rechtspersoonlijkheid. Hierdoor maakt het overgedragen vermogen geen deel uit van de nalatenschap van vader, en kunnen geen successierechten verschuldigd zijn. Dit heeft Vlabel bevestigd.
– Ten tweede wordt de overdracht aan de Stichting niet belast met successierechten indien vader het vermogen meer dan drie jaar vóór zijn overlijden had overgedragen, of indien op de overdracht in België registratierechten werden betaald. Ook dit werd door Vlabel bevestigd.
– Ten derde werd de overdracht door de Stichting aan de begunstigde niet gekwalificeerd als een schenking door vader onder de opschortende voorwaarde of termijn van zijn overlijden. Ook dit werd door Vlabel bevestigd.
– En last but not least, werd de uitkering door de Stichting aan de begunstigde ook niet belast op grond van oud artikel 8 Wetboek Successierechten (huidig artikel 2.7.1.0.6 VCF). Deze fiscale regel belast de uitkeringen die een begunstigde in de drie jaar vóór, bij, of na het overlijden van de erflater ontvangt ingevolge een contract dat de erflater afsloot met een derde persoon ten voordele van deze begunstigde (een zogenaamd ‘derdenbeding’). De federale rulingdienst aanvaardde destijds het argument dat het bestuur van de Stichting op zelfstandige en autonome wijze beslist tot de uitkering, en dat er geen sprake was van een contract op grond waarvan de begunstigden van de Stichting enige uitkering kunnen vorderen.

Dit laatste argument lijkt Vlabel in de vermelde ruling niet meer te aanvaarden. Volgens Vlabel is er geen sprake is van een ‘discretionaire’ beslissing op niveau van de Stichting, en is het uiteindelijk de inbrenger die beslist wie wat krijgt. Vooral het bestaan van een zogenaamde ‘Letter of wishes’, waarmee de inbrenger zijn wil te kennen geeft aan het bestuur van de Stichting, maakt dat Vlabel besluit tot het niet-discretionaire karakter van de structuur. Hierdoor zou er, nog steeds volgens Vlabel, wel degelijk sprake zijn van een contract met een derdenbeding, waardoor er erfbelasting verschuldigd zal zijn op het vermogen dat na het overlijden van de inbrenger toekomt aan de begunstigden.

De argumentatie die Vlabel aanhaalt om te besluiten tot het bestaan van een derdenbeding doet zacht uitgedrukt de wenkbrauwen fronsen. Zo kan men zich afvragen of er juridisch wel effectief sprake is van een ‘contract’ met een derdenbeding op grond waarvan aan een persoon kosteloos een bepaald vermogen toekomt. De overdracht aan een Stichting is immers een eenzijdige rechtshandeling en dus geen contract. Langs de andere kant is de situatie waarbij het zou volstaan om simpelweg vermogen onder te brengen in een Stichting om geen successierechten te betalen ook voor discussie vatbaar. Een belangrijk aandachtspunt blijft dan ook of de Stichting louter fungeert als ‘doorgeefluik’ voor een bepaald vermogen of niet.

Het is vooralsnog onduidelijk of Vlabel eenzelfde standpunt zal innemen wanneer niet een Liechtensteinse Stiftung, maar wel een Belgische private stichting als controlevehikel wordt gebruikt. Immers, op federaal vlak werden tot nu toe beide rechtsfiguren fiscaal gelijk behandeld.