Hof van Cassatie van België Arrest M., 4 februari 2016, nr F.13.0127.N

In Archiefby robert

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 december 2012

Beslissing van het Hof, beoordeling

1. Het middel voert aan dat artikel 34, §1, 10, WIB92 strijdig zou zijn met het gemeenschapsrecht, in de interpretatie dat de kwestieuze AOW-uitkering op generlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een beroepswerkzaamheid en verwijt de appelrechters in dit verband een schending van artikel 1a van Verordening (EEG) nr. 1480/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

2. Artikel 1a van de Verordening (EEG) nr. 1480/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, luidt als volgt: “Artikel 1. Definities. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder “werknemer” verstaan ieder:
i) die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op loontrekkenden van toepassing is, met uitzondering van de in bijlage V opgenomen beperkingen;
ii) die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldt, verplicht verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is,
– wanneer hij door de wijze van beheer of van financiering van dit stelsel als loontrekkende kan worden onderkend, dan wel
– indien dergelijke criteria niet aanwezig zijn, wanneer hij in het kader van een voor loontrekkenden ingesteld stelsel verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een andere in bijlage V omschreven gebeurtenis,
iii) die, in het kader van een stelsel van sociale zekerheid van een Lid-Staat ingesteld voor loontrekkenden of voor alle ingezetenen of voor bepaalde categorieën ingezetenen, vrijwillig verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is indien hij tevoren in het kader van een voor loontrekkenden ingesteld stelsel van dezelfde Lid-Staat verplicht verzekerd is geweest tegen dezelfde gebeurtenis.”

3. Uit die bepaling die een definitie bevat van het begrip “werknemer” in de zin van die verordening kan niet worden afgeleid dat een AOW-uitkering net als een Belgisch pensioen moet belastbaar zijn op grond van artikel 34, §1, 10, WIB92.
In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 1a van de Verordening (EEG) nr. 1480/71 van 14 juni 1971 kan het niet worden aangenomen.

4. De grief dat artikel 34, §1, 10, WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet schendt, is afgeleid uit de vergeeft aangevoerde schending van het gemeenschapsrecht en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Er bestaat bijgevolg geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

5. De omstandigheid dat België op grond van artikel 18.1 sub b, van het Belgisch-Nederlands Dubbelbelastingverdrag als woonstaat heffingsbevoegd is voor pensioenen en andere al dan niet periodieke uitkeringen die worden betaald aan een inwoner ter uitvoering van de Nederlandse sociale wetgeving heeft niet tot gevolg dat op sociale zekerheidsuitkeringen naar Nederlands recht die aanzien worden als basispensioen steeds belasting verschuldigd is.
Dit is slechts het geval indien de AOW-uitkering op grond van de Belgische fiscale wet als pensioen belastbaar is.

6. Artikel 34, §1, 10, WIB92, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend, pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten omvatten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid.
Hieruit volgt dat een pensioen op grond van artikel 34, §1, 10, WIB92 slechts belastbaar is indien er een rechtstreeks of onrechtstreeks verband bestaat met de beroepswerkzaamheid.
Een basispensioen dat wordt toegekend omwille van een periode van tewerkstelling of dat wordt gefinancierd door een premie die wordt ingehouden op het loon of door een premie die onder meer wordt geheven in functie van een beroepsinkomen, vertoont een band met de beroepswerkzaamheid.

7. In zoverre het middel ervan uitgaat dat alle pensioenen toegekend krachtens de wetten betreffende de verzekering tegen ouderdom, een pensioen uitmaken in de zin van artikel 34, §1, 10, WIB92, zonder dat vereist is dat dit pensioen rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een beroepswerkzaamheid, faalt het naar recht.

8. Artikel 6, 10 van de Nederlandse wet van 31 mei 1956 inzake een algemene ouderdomsverzekering (AOW) bepaalt dat verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze wet, diegene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en hetzij ingezetene is, hetzij geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen.
Indien de genieter van een AOW-uitkering een beroepswerkzaamheid in Nederland heeft verricht en tot de financiering van de AOW heeft bijgedragen door middel van een premie die wordt ingehouden op het loon of door middel van betaling van een premie die onder meer wordt geheven in functie van een beroepsinkomen is er een verband met de beroepswerkzaamheid van de genieter in de zin van artikel 34, §1, 10, WIB92.

9. De appelrechters stellen vast dat:
– de verweerder met ingang van 1 september 1966 voltijds in dienst was bij FUNDP in Namen en dit als assistent, voltijds docent en voltijds hoogleraar;
– hij in België werkzaam was tot aan zijn pensioen in september 2005;
– hij in de periode voor zijn tewerkstelling in België, en meer bepaald vanaf januari 1966 tot augustus 1966 een beperkte dienstbetrekking heeft uitgeoefend in Nederland en dat het ging om stageactiviteiten aan het einde van een universitaire studie;
– de verkregen vergoedingen voor deze prestaties dermate gering waren dat ze geen aanleiding hebben gegeven tot de inhouding van premies;
– voor wat betreft de in Nederland gewerkte periode van 1 augustus 1969 tot 1 augustus 1970 dient te worden vastgesteld dat de betrokkene steeds voltijds tewerkgesteld was te Namen en de prestaties in Nederland aldus zeer beperkt waren;
– uit de informatie van de Sociale Verzekeringsbank blijkt dat men enkel sociaal verzekerd is in het woonland (België) wanneer men zowel in Nederland als in België werkt en zowel een werkgever heeft in België als een werkgever in Nederland;
– vermits de verweerder vanaf 1 september 1966 voltijds tewerkgesteld was bij een Belgische werkgever, er voor zijn beperkte tewerkstelling in Nederland van 1 augustus 1969 tot 1 augustus 1970 geen sociale premies betaald werden in Nederland;
– er geen betwisting bestaat over het feit dat de verweerder tot na het beëindigen van zijn universitaire studies in Nijmegen in Nederland heeft gewoond en dat hij daarna is verhuisd naar België (Namen).

10. Op die gronden vermochten de appelrechters, zonder schending van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen, te beslissen dat de AOW-uitkering geen rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid die door de verweerder in Nederland werd uitgeoefend. Zij verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum: het Hof verwerpt het cassatie verzoek