Het verlaagd tarief voor KMO-dividenden schendt het gelijkheidsbeginsel niet (GwH 25 september 2014, GwH 134/2014)

In Archiefby robert

De vorige federale regering heeft een nieuw verlaagd tarief ingevoerd voor zogenaamde ‘KMO dividenden’. Tegen deze nieuwe regeling werd een vernietigingsberoep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.
De nieuwe regeling houdt in dat de roerende voorheffing (en personenbelasting), onder bepaalde voorwaarden, wordt verminderd wat de dividenden betreft die KMO-vennootschappen uitkeren met betrekking tot ‘nieuwe’ aandelen op naam. Deze nieuwe aandelen moeten zijn uitgereikt naar aanleiding van ‘nieuwe inbrengen in geld’ gedaan vanaf 1 juli 2013. Met KMO-vennootschappen bedoelt men vennootschappen die als ‘kleine’ vennootschap worden aangemerkt in de zin van artikel 15 W.Venn.
Als aan de voorwaarden voldaan is, geldt een tarief van 20% (voor de dividenden uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na dat van de inbreng) en daarna van 15% (voor de dividenden uit de winstverdeling vanaf het derde boekjaar na dat van de inbreng).
Dividenden die voortkomen uit inbrengen in natura zijn uitgesloten van het verlaagd tarief. Het Hof vindt dit niet discriminerend omdat inbrengen in natura ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelen meer aanleiding kunnen geven tot misbruiken dan inbrengen in geld, onder meer wegens mogelijke overwaarderingen van inbrengen in natura. Dividenden die voortkomen uit aandelen verworven met inbrengen gedaan vóór 1 juli 2013 zijn eveneens uitgesloten van het verlaagd tarief. Het Hof oordeelt dat het verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van het doel van de wetgever om verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van bestaande KMO’s en het oprichten van nieuwe KMO’s aan te moedigen.

hits=91= / id=3706=