Twee uitspraken inzake doelvermogens: een Jersey Trust (Hof Amsterdam) en een Liechtensteinse Stiftung (Hoge Raad)

In Archiefby robert

De zaak voor het Hof Amsterdam speelde in 2005, voordat in Nederland speciale belastingwetgeving voor doelvermogens werd geïntroduceerd. Deze uitspraak laat dan ook zien dat de belastingdienst veel moeilijkheden ondervond om vermogen dat was ondergebracht in een Trust, aan een belastingplichtige toe te rekenen. In de uitspraak van Hof Amsterdam leken er een aantal aanknopingspunten te zijn voor de belastingdienst, bijvoorbeeld omdat de Trust kosten van de belastingplichtige voor haar rekening leek te nemen. Toch was dit alles niet voldoende voor het standpunt dat dit leidt tot belastingheffing bij de belastingplichtige. De belastingdienst kon niet aantonen dat de beschikkingsmacht over het vermogen bij die belastingplichtige lag.
Ook de zaak bij de Hoge Raad gaat om een geschil vóór de invoering van de belastingwetgeving voor doelvermogens. In deze zaak is de uitkomst wel dat het vermogen in de Stiftung aan de belastingplichtigen wordt toegerekend. Dit komt overigens niet doordat er hier sprake is van een Stiftung in plaats van een Trust. Waar het om ging was dat de persoon die vermogen aan de Stiftung had overgedragen hiermee omging alsof het nog steeds zijn vermogen was. De inbrenger van het vermogen had dus nog steeds duidelijk de beschikkingsmacht. En in dat geval wordt hij geacht er over te beschikken als ware het zijn eigen vermogen. De conclusie is dan ook dat in dit geval het vermogen belastbaar is in box 3.
Hof Amsterdam 8 november 2012 en Hoge Raad 15 februari 2013

hits=247= / id=3102=