Toepassing belastingverdrag Nederland-België bij levensloopregeling, sociale zekerheidsuitkeringen en Europarlementariërs

In Archiefby robert

Indien de uitleg van een belastingverdrag leidt tot moeilijkheden of twijfelpunten, hebben landen de mogelijkheid om hierover onderling overleg te voeren. Zo ook bij het belastingverdrag tussen Nederland en België (artikel 28, paragraaf 3). Beide landen hebben onlangs over een aantal punten een dergelijk overleg gevoerd.
Het eerste onderwerp betreft opgebouwde aanspraken in de levensloopregeling door in een inwoner van België, die werkzaam is in Nederland. De regeling in Nederland is zodanig dat de aanspraken in eerste instantie tot het belastbaar inkomen behoren. Het belastingverdrag wijst heffing van dit soort inkomen toe aan het werkland, dus Nederland. Echter Nederland biedt de mogelijkheid om de aanspraken vrij te stellen en pas de latere uitkeringen te belasten. België kent geen levensloopregeling, zodat aanspraken in beginsel tot het Belgische belastbare inkomen worden gerekend. Toepassing van het belastingverdrag leidt dan tot ongewenste uitkomsten (dubbele heffing). Daarom is nu besloten dat beide landen een deel mogen heffen:
– in België is jaarlijks 3% van het kapitaal belast (een fictieve uitkering), en
– in Nederland worden de uitkeringen uit de levensloopregeling belast, waarbij de in België belaste fictieve uitkering in mindering mag worden gebracht.

Het tweede onderwerp ziet op sociale zekerheidsuitkeringen, die worden betaald door het ene land aan een inwoner van een ander land. Als iemand vanwege ziekte, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of overtolligheid de dienstbetrekking niet of niet volledig kan vervullen, mogen die uitkeringen voor een periode van maximaal 1 jaar, dan wel zoveel langer als de beloningen ter zake van het daadwerkelijk vervullen van deze dienstbetrekkingen worden genoten, worden belast in het uitkerende land. Nederland en België zijn overeengekomen dat deze bijzondere regeling alleen geldt zolang de dienstbetrekking niet is verbroken. Zodra dat wel het geval is, vallen de uitkeringen onder de hoofdregel van artikel 18 van het belastingverdrag (normaliter heffing in het woonland).
Het laatste onderwerp ziet op de belastingheffing over het inkomen van leden van het Europarlement. Over dit inkomen wordt gemeenschapsbelasting geheven. Daarnaast mogen landen een eigen belasting heffen, onder verrekening van de gemeenschapsbelasting. Nederland maakt van deze mogelijkheid gebruik. Onder het huidige belastingverdrag kan echter onduidelijkheid bestaan over de vraag welk verdragsartikel van toepassing is. Nederland en België zijn nu overeengekomen dat het restartikel van toepassing is. Het recht tot belastingheffing blijft hierdoor toekomen aan het woonland.
Brief staatssecretaris van Financiën 27 mei 2011hits=1= / id=1741=