Hypotheekrente op de Spaanse eigen woning, Hoge Raad, 22 mei 2015

In Archiefby robert

Een heel interessante zaak die gaat over de oude regeling voor hypotheekrenteaftrek van niet-inwoners (de fictieve binnenlandse belastingplicht), maar ook van belang kan gaan zijn voor de nieuwe regeling (de kwalificerende buitenlands belastingplichtige).

De heer X woont in 2007 in Spanje in een eigen woning. Hij heeft aandelen in een Nederlandse vennootschap en in een Zwitserse vennootschap. Vanuit beide vennootschappen ontvangt hij een inkomen. Hij verricht zijn werkzaamheden overal ter wereld.

Het inkomen uit de Nederlandse vennootschap van ruim € 77.000 is volgens de belastingverdragen belastbaar in Nederland, terwijl het inkomen uit de Zwitserse vennootschap van omstreeks € 51.000 belast mag worden in Zwitserland. In zijn woonland Spanje had hij geen belastbaar inkomen.
De heer X wilde de hypotheekrente van zijn Spaanse woning in aftrek brengen op zijn Nederlandse inkomen. De aftrekpost bedroeg in 2007 € 28.204. Hij kiest ook voor fictieve binnenlandse belastingplicht.

Onder de regels zoals die waren in 2007 had hij per saldo geen hypotheekrenteaftrek. Zijn aftrekbedrag van € 28.204 moet namelijk op grond van de wet eerst worden verrekend met zijn Zwitserse inkomen. Voor zover de hypotheekrente meer bedraagt dan dit niet-Nederlandse inkomen, kan dit saldo worden afgetrokken. In dit geval was het Zwitserse inkomen ruim € 51.000 en daarmee hoger dan de hypotheekrente. Hij had daarom niets aan zijn hypotheekrenteaftrek, omdat die volledig wegviel tegen dit Zwitserse inkomen.

De heer X was het hier niet mee eens en is in bezwaar en beroep gegaan.
De Hoge Raad werkt in het arrest eerst de kaders en het Europees recht uit. In beginsel is het namelijk aan de woonstaat om tegemoetkomingen zoals de hypotheekrenteaftrek te verlenen, in dit geval zou dat dus Spanje zijn.
Echter, in het Schumackerarrest is uitgemaakt dat het werkland deze tegemoetkomingen moet geven op het moment dat het inkomen grotendeels in de werkstaat wordt verdiend, terwijl er in de woonstaat geen inkomen van betekenis is. Het geven van tegemoetkomingen in de woonstaat heeft dan namelijk geen effect, zodat de werkstaat die verplichting opgelegd krijgt.
Ook in de situatie van de heer X is er geen inkomen van betekenis in Spanje. Onder Europees recht moet de werkstaat dan haar tegemoetkomingen geven. Het bijzondere aan deze situatie is dat er niet één maar twee werkstaten zijn en dat er in beide staten voldoende wordt verdiend om aftrekposten te verlenen. De verdeling is hier ongeveer 60% van het inkomen uit Nederland en 40% uit Zwitserland.

De vraag is dan of Nederland op grond van Europees recht nu verplicht is om een tegemoetkoming te verlenen en als dat zo is, of Nederland dan volledige aftrek moet geven (voor 100%) of bijvoorbeeld naar verhouding tot het inkomen (60% Nederland en Zwitserland voor 40%). Hoe dit zou moeten, is op dit moment nog volledig onduidelijk.
Om het nog extra ingewikkeld te maken is Zwitserland geen lid van de EU of van de EER. Wel zijn er Verdragen gesloten tussen Zwitserland en de EU, maar dat is niet hetzelfde als lidmaatschap. Het is dan ook maar de vraag of Zwitserland op grond van EU-recht ertoe kan worden gebracht om tegemoetkomingen te geven aan de heer X, terwijl dat wel verplicht zou zijn voor Nederland.
De Hoge Raad stelt daarom ook nog de vervolgvraag of Nederland verplicht kan worden om een volledige tegemoetkoming te geven op het moment dat Zwitserland dat niet doet als Zwitserland (als niet-EU-lid) hier ook niet toe gezet kan worden.

De Hoge Raad stelt nu vragen aan het Europese Hof van Justitie. Wij zijn zeer benieuwd naar de uitkomst. Het zou daarbij heel goed zo kunnen zijn, dat de Europese rechter (indirect) ook meer duidelijkheid zal geven of het 90%-criterium in de regeling voor de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wel door de Europese beugel kan.

Verband met kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Met ingang van 1 januari 2015 kunnen niet-inwoners van Nederland alleen van Nederlandse aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek gebruik maken op het moment dat aan de eisen voor de kwalificerende buitenlandse belastingplicht wordt voldaan.
Eén van de belangrijkste eisen voor deze regeling is dat het belastbare inkomen van deze niet-inwoner voor ten minste 90% in Nederland belast wordt. Dit inkomen moet worden bepaald naar Nederlandse normen.
Door deze Nederlandse 90%-eis vallen veel niet-inwoners buiten de boot. Zij hebben mogelijk geen hypotheekrenteaftrek meer, terwijl zij die aftrek onder de regeling voor 2015 wel hadden.

De vraag is of Nederland de grens mag stellen bij 90%. Ook de wetgever was hier niet zeker van. In de artikelen die gaan over de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is daarom de mogelijkheid opgenomen om het percentage snel en zonder wetswijziging te kunnen aanpassen op het moment dat de Europese rechter zou oordelen dat het een ander percentage zou moeten zijn.
Op dit moment is het nog onduidelijk welk percentage er gesteld zou moeten worden. Het is zelfs niet zeker of er überhaupt wel een percentage mag worden gesteld. Het is te hopen dat deze rechtszaak antwoorden op deze vragen zal geven. Het is voor iedereen belangrijk als er meer duidelijkheid komt waar de regeling voor de kwalificerende buitenlands belastingplichtige wel en (eventueel) waar zij niet in overeenstemming is met Europees recht.

hits=18= / id=3888=