Nederlandse dividendbelasting Europeesrechtelijk onder vuur

In Archiefby robert

Op 20 december 2013 heeft de Nederlandse Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de heffing van Nederlandse dividendbelasting. Deze vragen hebben betrekking op dividend dat is ontvangen door een Belgische particuliere belegger.
Belgische particuliere beleggers die dividend ontvangen op Nederlandse aandelen worden dubbel belast. Ten eerste wordt er door Nederland dividendbelasting ingehouden. Over de netto-dividenden wordt in België vervolgens nogmaals Belgische personenbelasting geheven. De dubbele belasting wordt niet opgelost door een verrekening en wordt daarmee als onrechtvaardig gezien. De Belgische belastingheffing van buitenlands dividend is al eerder door het Hof van Justitie getoetst in de bekende zaken Kerkhaert-Morres en Damseaux. Het Hof van Justitie zag destijds in de dubbele belastingheffing van de Belgische kant geen strijd met het Europese recht. De vraag is nu of en tot op welke hoogte de belastingheffing aan de Nederlandse kant van de grens onder het Europese recht toegestaan is.
In deze bijdrage gaan wij in op de rechtszaken die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, de vragen die door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie gesteld zijn en de mogelijke consequenties van deze zaken. Ten slotte gaan wij in op de vraag of Belgische particuliere beleggers met Nederlandse aandelen reeds nu actie zouden moeten ondernemen met het oog op deze lopende procedure.

Wat is de casus die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd?
De twee zaken die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd betreffen Belgische particuliere beleggers met aandelen in Nederlandse vennootschappen. Deze vennootschappen hebben dividend uitgekeerd aan deze beleggers en op deze uitkering is 15% Nederlandse dividendbelasting ingehouden. De Belgische particuliere beleggers zijn van mening dat zij met de 15% Nederlandse dividendbelasting zwaarder worden belast dan een met hen vergelijkbare inwoner van Nederland. Het Europese Hof van Justitie heeft reeds in een groot aantal zaken beslist dat het een lidstaat van de Europese Unie niet is toegestaan om een buitenlandse aandeelhouder zwaarder te belasten voor het door hem ontvangen dividend dan een met deze buitenlandse aandeelhouder vergelijkbare binnenlandse aandeelhouder. Deze in de rechtspraak ontwikkelde regel is door pensioen- en beleggingsfondsen al veelvuldig gebruikt om in andere EU lidstaten dividendbelasting terug te vragen.
In het geval van de Belgische particuliere belegger zou een met hem vergelijkbare Nederlandse particuliere belegger voor het dividend ook belast worden met 15% dividendbelasting. Bij een Nederlandse particuliere belegger wordt de dividendbelasting echter geheel verrekend met de jaarlijks verschuldigde inkomstenbelasting. Indien geen of minder inkomstenbelasting verschuldigd is volgt een teruggave. Voor een Nederlandse particuliere belegger is de dividendbelasting daarom feitelijk niet relevant. Voor hem geldt de inkomstenbelasting. Sinds 2001 belast Nederland aandeelhouders niet meer voor hun daadwerkelijk behaalde (dividend)rendement. Er wordt een forfaitair rendement van 4% van de waarde van de aandelen vastgesteld, waarop 30% belasting verschuldigd is. De stelling zou daarom ingenomen kunnen worden dat een Nederlandse belegger voor zijn aandelenbezit wordt belast en niet voor het door hem ontvangen dividend. Dat de Belgische particuliere belegger wel voor het dividend wordt belast, maakt reeds dat er sprake is van een zwaardere heffing op het door hem ontvangen dividend. Deze stelling zou kunnen leiden tot volledige teruggaaf van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting. Een tweede stelling is gebaseerd op de aanname dat met de belastingheffing in box 3 op de aandelen toch feitelijk een belasting van het (dividend)rendement op de aandelen wordt geheven. Vanuit het Europese recht bezien moet dan worden beoordeeld of deze belasting minder zwaar is dan die van een buitenlander wordt geheven. Een voorbeeld kan dit verduidelijken.

Voorbeeld 1
Stel dat de Belgische particuliere aandeelhouder voor € 100.000 aandelen bezit in een Nederlandse beursgenoteerde vennootschap. Op het aandelenbezit is € 10.000 dividend uitgekeerd. Op het dividend is € 1.500 dividendbelasting ingehouden. Een Nederlandse vergelijkbare particuliere belegger zou in box 3 voor een forfaitair rendement van 4% op de waarde van de aandelen en met een tarief van 30% worden belast. De belasting op de aandelen zou daarom € 1.200 bedragen. De stelling zou ingenomen kunnen worden dat de Belgische particuliere belegger voor € 300 meer belast wordt dan zijn Nederlandse evenknie. Dit betekent dat de Belgische particuliere belegger € 300 terugbetaald zou moeten krijgen.
Een derde stelling is gebaseerd op het feit dat het forfaitaire rendement van 4% in box 3 niet alleen beoogt het dividendrendement op de aandelen, maar ook de vermogenswinst behaalt met de aandelen te belasten. Dit zou betekenen dat voor de vergelijking van belastingdruk er een splitsing in de Nederlandse vergelijkbare belasting moet worden gemaakt tussen de belasting die ziet op de vermogenswinst en de belasting die ziet op het dividend. Om hier vorm aan te geven stellen wij voor het daadwerkelijke rendement de basis te laten vormen voor deze uitsplitsing.

Voorbeeld 2
Stel dat de Belgische particuliere aandeelhouder voor € 100.000 aandelen bezit in een Nederlandse beursgenoteerde vennootschap. Deze aandelen hebben gedurende het jaar een waardestijging van € 20.000 doorgemaakt. Op het aandelenbezit is € 10.000 dividend uitgekeerd. Op het dividend is € 1.500 dividendbelasting ingehouden. Een Nederlandse vergelijkbare particuliere belegger zou in box 3 voor een forfaitair rendement van 4% op de waarde van de aandelen en met een tarief van 30% belast worden. De belasting op de aandelen zou daarom € 1.200 bedragen. Deze belasting ziet voor 10/20e deel op het dividend en voor 20/30e deel op de vermogenswinst. De belasting die ziet op het dividend bedraagt daarom € 400. De stelling zou ingenomen kunnen worden dat de Belgische particuliere belegger voor € 1.100 meer belast wordt dan zijn Nederlandse evenknie.

De vragen die door de Hoge Raad zijn gesteld
De Hoge Raad heeft het Hof van Justitie gevraagd op welke wijze deze belasting in een vergelijkbare situatie nu precies uitgerekend moet worden. De bovenstaande voorbeelden geven aan dat er meerdere varianten mogelijk zijn. In de rechtspraak van het Hof van Justitie is er nog geen zaak geweest waar belasting over daadwerkelijk inkomen vergeleken moest worden met belasting over fictief inkomen. Deze zaken zijn daarom erg interessant voor de rechtsontwikkeling.
Een belangrijk punt daarbij ook is dat de Nederlandse belastingheffing in box 3 ziet op een groot gedeelte van het vermogen van een particulier. De vraag is dan ook of de vergelijking per aandeel of voor het gehele vermogen/aandelenbezit gemaakt moet worden. Indien de vergelijking voor het gehele vermogen gemaakt zou moeten worden, dan kunnen de aandelen met goede dividendrendementen gemiddeld worden met aandelen met slechte dividendrendementen.
Een andere belangrijke vraag is of de vergelijking van de belastingdruk per jaar moet worden uitgevoerd of voor meerdere jaren gemiddeld. Voor Nederlandse particuliere beleggers geldt dat zij elk jaar over 4% forfaitair rendement belasting betalen. Belgische particuliere beleggers betalen pas Nederlandse belasting wanneer zij dividend ontvangen. De vraag is daarom gerechtvaardigd of een vergelijking in één jaar wel een goede vergelijking biedt. Ook is het nog de vraag hoe moet worden omgegaan met (kosten van) schulden die zijn aangegaan in verband met het aandelenbezit en daarnaast het heffingsvrij vermogen. Nederlandse particuliere beleggers hebben in box 3 immers recht op een heffingvrij vermogen van ongeveer € 20.000. Belgische particuliere aandeelhouders betalen vanaf de eerste euro dividend Nederlandse dividendbelasting.
Ten slotte heeft de Hoge Raad nog vragen gesteld over de zogenoemde neutralisatie. De meeste lidstaten van de Europese Unie hebben met andere landen verdragen ter voorkoming van dubbele belasting gesloten. Met deze verdragen worden de heffingsrechten over inkomsten van inwoners van die landen verdeeld met het doel om dubbele belasting te voorkomen. Voor dividenden is het gebruikelijk dat het land waar de uitkerende vennootschap gevestigd is 15% dividendbelasting mag heffen en dat het land waar de aandeelhouder woont zijn eigen belasting heft van het ontvangen dividend. Vervolgens wordt de buitenlandse dividendbelasting afgetrokken van de belasting die verschuldigd is het land waar de aandeelhouder woont. De gedachte van de neutralisering is dat als het land van de uitkerende vennootschap geen discriminerende belasting mag heffen, dan het land waar de aandeelhouder woont dan ook niet verplicht is de terugbetaalde dividendbelasting in aftrek te brengen. In feite schiet de aandeelhouder er dan niets op met een teruggave van dividendbelasting. In de situatie met België is dit anders. Wij zullen dit aan de hand van een voorbeeld toelichten.

Voorbeeld 3
Een buitenlandse particuliere aandeelhouder bezit voor € 100.000 aandelen in een Nederlandse beursgenoteerde vennootschap. Op het aandelenbezit is € 10.000 dividend uitgekeerd. Op het dividend is € 1.500 dividendbelasting ingehouden. Een Nederlandse vergelijkbare particuliere belegger zou in box 3 voor een forfaitair rendement van 4% op de waarde van de aandelen en met een tarief van 30% belast worden. De belasting op de aandelen zou derhalve € 1.200 bedragen. Zoals in voorbeeld 1 aangehaald zou deze buitenlandse particuliere aandeelhouder kunnen stellen dat hij € 300 Nederlandse dividendbelasting terug wil met het oog op de toepassing van Europees recht. In een land als Duitsland wordt het ontvangen dividend bruto belast met Kapitalertragsteuer van 25%. De Nederlandse belasting komt op de Duitse belasting in mindering. Dit betekent dat er per saldo nog € 1.000 belasting in Duitsland wordt geheven van het ontvangen Nederlandse dividend ((€ 10.000 * 25%) -/- € 1.500). Bij teruggave van € 300 Nederlandse dividendbelasting volgt ook een lagere vermindering in Duitsland. Aldus is in Duitsland € 1.300 belasting verschuldigd ((€ 10.000 * 25%) -/- € 1.200). De discriminatie wordt in Duitsland geneutraliseerd. Het Hof van Justitie heeft al eens geoordeeld dat als er sprake is van neutralisatie er geen teruggave aan de aandeelhouder hoeft plaats te vinden.
In België wordt de aandeelhouder voor het netto rendement van € 8.500 voor 25% in de personenbelasting betrokken. Per saldo volgt nog eens € 2.125 Belgische personenbelasting. Als de Nederlandse belasting voor € 300 wordt teruggegeven, dan is de grondslag voor de Belgische personenbelasting € 8.800. De teruggave van Nederlandse dividendbelasting zou dus tot € 2.200 Belgische personenbelasting leiden. In dit geval is er geen volledige neutralisatie. Dit maakt de zaak voor Belgische particuliere beleggers ook interessant.

De mogelijke consequenties van dit arrest
De Nederlandse dividendbelasting ligt reeds een aantal jaren onder vuur. De dividendbelasting levert ogenschijnlijk veel op voor de Nederlandse schatkist (ongeveer € 2,6 mld. volgens de Rijksbegroting 2013), maar een groot gedeelte van deze opbrengst wordt teruggeven via de aangifte inkomstenbelasting aan Nederlandse particuliere aandeelhouders. Ook hebben pensioenfondsen, beleggingsfondsen en gewone vennootschappen meestal recht op teruggave van dividendbelasting. De netto opbrengst van de dividendbelasting wordt ingeschat op een bedrag dat tussen de € 800 – € 1.200 mio ligt. Dit wordt feitelijk geheven van de buitenlandse particuliere aandeelhouders. Als deze zaak zou leiden tot een individuele toetsing van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting aan het Europese recht, dan is het naar onze mening snel afgelopen met de dividendbelasting. De kosten van de heffing van deze belasting wegen dan vermoedelijk niet meer op tegen de opbrengst.

Wat zouden Belgische particuliere beleggers nu moeten doen?
In België woonachtige particuliere beleggers die in de afgelopen jaren dividend hebben ontvangen van in Nederlandse vennootschappen zouden op individuele basis na kunnen gaan of het door hen ontvangen dividend niet zwaarder belast is als bij een met hen vergelijkbare Nederlandse aandeelhouder. Zoals hiervoor is aangegeven, zijn er meerdere manieren mogelijk om deze vergelijkbare belastingdruk te berekenen. Met de vragen aan het Hof van Justitie probeert de Hoge Raad te achterhalen wat de juiste methode is. Wij raden u aan om uw belastingadviseur te raadplegen om te beoordelen of er in uw specifieke situatie Europeesrechtelijk te veel Nederlandse dividendbelasting geheven is.
Indien u tot de conclusie komt dat er te veel Nederlandse dividendbelasting is ingehouden ten laste van het door u ontvangen dividend, dan kunt u een verzoek om teruggave van deze dividendbelasting indienen bij de Nederlandse belastingdienst. Omdat de zaak onder de rechter is -en het naar verwachting nog wel één tot twee jaar zal duren voordat de Hoge Raad met een eindarrest komt- zal het verzoek vermoedelijk door de inspecteur aangehouden worden tot er door de Hoge Raad is beslist. Het is van belang om tijdig een verzoek in te dienen voor een teruggave van dividendbelasting, omdat met een dergelijk verzoek de termijn voor het indienen niet verjaart. Op grond van rechtspraak heeft een particulier 5 jaar na afloop van een belastingjaar om een dergelijk verzoek om teruggave in te dienen. Daarna is een dergelijk verzoek verjaard

Conclusie
Op 20 december 2013 heeft de Hoge Raad een aantal vragen aan het Hof van Justitie gesteld. Deze vragen zouden wel eens het begin van het einde van de Nederlandse dividendbelasting kunnen betekenen. Als het Hof van Justitie tot de conclusie komt dat de Nederlandse dividendbelasting in individuele situaties het door buitenlandse beleggers ontvangen dividend zwaarder belast dan de Nederlandse belastingheffing over datzelfde dividend bij vergelijkbare aandeelhouders, dan is dit aanleiding tot teruggave van Nederlandse dividendbelasting over het verleden. Particulieren hebben 5 jaar na afloop van een belastingjaar om een verzoek tot teruggave van Nederlandse dividendbelasting in te dienen.

KPMG Meijburg & Co,

hits=2308= / id=3470=