Buitenlandse private vermogensstructuren in het vizier van de Belgische fiscus

In Archiefby robert

Vanaf aanslagjaar 2014 (inkomstenjaar 2013) geldt er een meldingsplicht van private vermogensstructuren in de Belgische personenbelasting. Dit houdt in dat wanneer u als Belgisch rijksinwoner hetzij oprichter, hetzij een derde begunstigde bent van een of meerdere buitenlandse “juridische constructies”, u het bestaan ervan dient aan te geven in uw jaarlijkse aangifte in de Belgische personenbelasting. Deze meldingsplicht geldt ook wanneer niet uzelf maar uw echtgenote of een van uw kinderen van wie u het wettelijk genot van de inkomsten heeft, oprichter of begunstigde is. Maar het blijft wellicht niet bij een loutere meldingsplicht. Momenteel werkt de regering aan een “doorkijkbelasting” van dergelijke structuren. Dit zou erop neer komen dat u als oprichter van laagbelaste private vermogensstructuren met ingang van 1 januari 2014 rechtstreeks belast zal worden op de inkomsten die in deze structuren worden ontvangen. Tevens zou een belasting van 25% worden ingevoerd voor derde begunstigden die effectief een uitkering of enig voordeel uit de juridische constructie verkrijgen.

Welke buitenlandse “juridische constructies” zijn bedoeld?
Volgens de wet worden twee soorten van zogenaamde “juridische constructies” geviseerd.

De eerste categorie betreft de trust en fiduciaire structuren en verwijst naar de definitie zoals opgenomen in het Belgisch Wetboek Internationaal Privaat Recht: “een rechtsverhouding, die door een rechtshandeling van de oprichter of door een rechterlijke beslissing in het leven wordt geroepen, waarbij goederen of rechten onder de macht van een beheerder worden gebracht om ze te besturen ten behoeve van een of meerdere begunstigden of voor een bepaald doel.” De memorie van toelichting bij de wet benadrukt dat enkel die afstand van eigendom of vermogen bedoeld is waarbij de overdrager geen onmiddellijke, daadwerkelijke en evenwaardige tegenwaarde ontvangt, maar waarbij de beheerder wel bepaalde verplichtingen krijgt opgelegd. Een belegging in een gemeenschappelijk beleggingsfonds valt daar in principe niet onder voor zover de waarde van het vermogen niet afneemt en de overdrager deelbewijzen of certificaten ontvangt. Ook de certificering van titels via een Stichting Administratiekantoor (STAK) zou om dezelfde redenen evenmin geviseerd zijn.

De tweede categorie betreft de niet of laagbelaste buitenlandse structuren. Het betreft hier de buitenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoonlijkheid “die in het buitenland niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of daar, wat de inkomsten van kapitalen en roerende goederen betreft, aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België zijn onderworpen en waarvan de juridische rechten van de aandelen of deelbewijzen geheel of gedeeltelijk door een rijksinwoner zijn gehouden of waarvan de begunstigde van de economische rechten van de goederen en kapitalen een rijksinwoner is.” Hiermee worden allerhande off-shore vennootschappen, Anstalt en Stiftung bedoeld.

Buitenlandse vennootschappen die onder een normaal belastingregime vallen en gebruik maken van een vrijstellings- of aftrekregime voor dividenden en meerwaarden zijn daarentegen niet geviseerd. Dit is ondermeer het voor de Nederlandse BV of de Luxemburgse SOPARFI. Zij blijven tot nader order buiten schot.
Welke buitenlandse private vermogensstructuren dan wel concreet geviseerd worden is nog niet uitgemaakt. Bij Koninklijk Besluit zullen nog de voor welbepaalde landen of rechtsgebied beoogde rechtsvormen worden bepaald. In de parlementaire werken wordt toch al een tip van de sluier opgelicht: daar wordt verwezen naar de lijst van rechtspersonen in belastingparadijzen en andere landen opgenomen in bijlage 1 bij het voorstel van richtlijn van de Raad tot wijziging van de zogenaamde “Spaarrichtlijn”. Uit een lezing van deze bijlage lijkt het ons dat o.a. de volgende juridische constructies geviseerd worden: de Stichting Particulier Fonds (SPF) en vennootschappen die aan het gunstige offshore belastingregime onderworpen zijn in Aruba (& onder voorbehoud ook de Stichting Particulier Fonds (SPF) en vennootschappen die aan het gunstige offshore belastingregime onderworpen zijn gevestigd in Curaçao en Sint-Maarten), de Stichting Particulier Fonds (SPF) en trusts op de Nederlandse Antillen (de zogenaamde BES-eilanden), de Société de gestion de Patrimoine Familiale (SPF) in Luxemburg, trusts en stichtingen in Zwitserland, “Anstalts” en “Stiftungs” in Liechtenstein, trusts en stichtingen in Monaco, trusts in Andorra, trusts en stichtingen in San Marino, trusts en “zero tax companies” op Guernsey, trusts op Jersey and op het eiland Man (Isle of Man), trusts in Montserrat, de Société, de Société de personnes, de Société en participation en Foreign trusts in Frans Polynesië, alle vennootschappen en trusts op de Malediven, trusts in Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, trusts en “International business companies” op de Seychellen, trusts in Singapore, trusts in Zuid-Afrika, trusts in de Verenigde Arabische Emiraten, trusts en vrijgestelde vennootschappen op de Amerikaanse Maagdeneilanden, trusts en “International business companies” op de Britse Maagdeneilanden, trusts en vrijgestelde vennootschappen op de Kaaimaneilanden.
Het blijft echter wachten op het Koninklijk Besluit om al de geviseerde rechtsvormen te kennen zodat er thans nog geen uitsluitsel over bovenvermelde opsomming bestaat. Vraag rijst of het toegestaan is aan België om eenzijdig een lijst van geviseerde rechtsvormen bij K.B. vast te leggen.

Wie moet het bestaan van de private vermogensstructuur melden?
In eerste instantie de belastingplichtige, zijn echtgenote of zijn minderjarige kinderen, die oprichter of begunstigde is van voormelde buitenlandse juridische constructies. Maar ook de personen die goederen of rechten ondergebracht hebben in een van de geviseerde private vermogensstructuren wanneer deze opgericht zijn door een derde, alsook de directe of indirecte erfgenamen van al de voornoemde personen (tenzij zij geen voordelen uit de juridische constructie kunnen genieten), zijn onderworpen aan de meldingsplicht.
In het ontwerp van Programmawet wordt dit aangepast in de zin dat enkel nog de oprichter bij leven (altijd) en pas na diens overlijden de erfgerechtigden, en eventuele derde-begunstigden (enkel indien zij een voordeel verkrijgen), de constructie in de personenbelasting moeten melden.
De meldingsplicht zou bovendien worden uitgebreid naar belastingplichtigen in de rechtspersonenbelasting waaronder V.Z.W.’s en private stichtingen. Bovendien zou een amendement bij het ontwerp van Programmawet ook derde begunstigden verplichten de constructies te melden in hun Belgische aangifte personenbelasting, tenzij het gaat om derde begunstigden van een juridische constructie die zich toelegt op het beheer of beleggen van pensioenfondsen of het beheer van werknemersparticipaties in de onderneming. Onder derde begunstigden worden zowel natuurlijke personen (desgevallend de oprichter) als welbepaalde rechtspersonen verstaan die, op enig ogenblik en op om het even welke wijze, enig voordeel verkrijgen, toegekend door een juridische constructie.
Indien u het bestaan van uw juridische constructies niet aankruist op uw aangifte in de Belgische personenbelasting en deze zo bewust verborgen houdt voor de fiscus, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, dan riskeert u een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en/of een geldboete van € 1.500 tot € 3.000.000.
Men kan niet ontsnappen aan deze meldingsplicht door voor het einde van 2013 de juridische constructie te ontbinden of de zetel te verplaatsen. De meldingsplicht van juridische constructies is immers van toepassing op het hele inkomstenjaar 2013 (aanslagjaar 2014).

Oprichters rechtstreeks belastbaar op inkomsten van de private vermogensstructuur
De regering bereidt momenteel een amendement voor bij het ontwerp van programmawet dat het belastingstelsel van dergelijke juridische constructies verder vastlegt. Met ingang van 1 januari 2014 zou een eigendomsfictie worden ingevoerd waarbij belastingplichtigen in de Belgische inkomstenbelastingen vanaf dan geacht zullen worden eigenaar te zijn van de goederen, rechten en kapitalen in het bezit van buitenlandse juridische constructies waarvan zij de oprichter zijn, en van de inkomsten van voormelde goederen, rechten en kapitalen. Op basis van deze fictie zullen de inkomsten van de constructie rechtstreeks belastbaar zijn ten name van hun oprichters en ondergaan zij hun gewoon aanslagstelsel zoals bepaald in het Belgische Wetboek van Inkomstenbelastingen. Zo zullen ondermeer dividendinkomsten die een trust op haar aandelenbeleggingen verkrijgt rechtstreeks belast worden in hoofde van de oprichter-Belgische rijksinwoner aan het normale tarief van 25%.

Doorkijkbelasting in alle gevallen?
Deze fiscale transparantie zou onverkort gelden voor de voormelde trust en fiduciaire structuren (categorie 1). Voor buitenlandse private vermogensstructuren van de tweede categorie is er nog een ontsnappingsmogelijkheid: de Belgische doorkijkbelasting geldt niet indien de juridische constructie onderworpen is aan een effectief belastingtarief van 10%. U zult als belastingplichtige voor de Belgische inkomstenbelasting ieder jaar opnieuw moeten bewijzen dat er voldaan is aan deze voorwaarde van een effectief tarief van 10%. De belastingadministratie kan u tevens verplichten de boeken en bescheiden met betrekking tot de juridische constructies voor te leggen.
Het is nog niet duidelijk hoe het effectief belastingtarief van 10% zal beoordeeld worden. Mogen ook andere belastingen dan de lokale inkomstenbelasting in rekening worden gebracht (bijvoorbeeld eventuele bronbelastingen)? En op welke wijze moeten de belastbare inkomsten worden bepaald: zijn dit de bruto inkomsten of de belastbare inkomsten zoals die volgens Belgische maatstaven zouden worden bepaald (met toepassing van de fiscale aftrekken die in België zijn toegestaan)? In hoeverre kan bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met buitenlandse vrijstellings- of verminderingsregimes die niet aanzienlijk gunstiger zijn dan in België (gelijkaardig aan de Belgische notionele interestaftrek, de fiscale overgedragen verliesaftrek etc.)?
De SPF op Curaçao of Sint-Maarten is vrijgesteld van enige winstbelasting indien zij geen bedrijf uitoefent en wordt bijgevolg niet belast aan een effectief tarief van 10%. Bijgevolg zal een Belgische rijksinwoner die oprichter is van Antillaanse SPF in principe rechtstreeks belast worden op de inkomsten van de SPF. Maar is deze fiscale transparantie wel absoluut? Zo kan bijvoorbeeld geargumenteerd worden dat de buitenlandse bronbelasting die desgevallend op de inkomsten van de Antillaanse SPF werd geheven in rekening moet worden gebracht om de effectieve belasting van 10% te bepalen.
Verder moeten we vaststellen dat de doorkijkbelasting niet enkel voor offshore structuren geldt, maar ook voor juridische constructies binnen de EU die niet aan het effectieve 10% taxatievereiste voldoen.
Het Nederlandse regime voor de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) maakt dat dergelijke VBI’s niet onderworpen zijn aan vennootschapsbelasting of dividendbelasting, wat belastingvrije beleggingen mogelijk maakt. Hoewel er wellicht gesteld kan worden dat de VBI niet in categorie 1 valt, zal de Belgische fiscus ze waarschijnlijk wel viseren in de tweede categorie van niet of laagbelaste buitenlandse structuren.
Niettemin moet in het geval van private vermogensstructuren gevestigd binnen de EU rekening gehouden worden met het vrije verkeer van kapitaal dat door Europa gewaarborgd is. De nieuwe maatregel mag er o.i. bijgevolg niet toe leiden dat private vermogensstructuren in de EU nadeliger worden behandeld dan vergelijkbare Belgische vermogensstructuren.

Ook voor derde begunstigden
Naast de doorkijkbelasting in hoofde van de oprichters zullen ook derde begunstigden (andere persoon dan de oprichter) die opbrengsten van goederen, rechten of kapitalen van een juridische constructie verwerven buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, daarop belast worden. Zij zullen onderworpen worden aan een tarief van 25% als divers inkomen. Vrijstellingen zijn o.a. enkel mogelijk voor zover die opbrengsten reeds belast zijn in hoofde van de oprichter zelf in België of in het buitenland (op basis van een gelijkaardige wetgeving).

Besluit
Momenteel kunnen we geen uitsluitsel geven over welke structuren al dan niet tot de geviseerde juridische constructies gerekend worden. Deze vermogensstructuren zullen worden opgesomd in een niet-limitatieve lijst uitgevaardigd bij Koninklijk Besluit. Die lijst kan bijgevolg door de regering worden uitgevaardigd zonder directe medewerking van het parlement en zou bovendien jaarlijks worden herzien. De federale regering heeft op datum van vandaag evenmin een akkoord bereikt over het amendement bij het ontwerp van programmawet dat het belastingstelsel van dergelijke juridische constructies verder vastlegt. Over de interpretatie van de Belgische belastingadministratie van het effectief belastingtarief van 10% blijven we dan ook in het ongewisse.
De nieuwe maatregel heeft niet de bedoeling om een bestaande structuur te verbieden of de structuur an sich in vraag te stellen. Een correct opgezette buitenlandse structuur die in het buitenland de nodige substantie heeft en aldaar conform de fiscale wetgeving wordt beheerd, kan in principe blijven bestaan. Wel is het van belang – in het kader van de toenemende transparantie en gegevensuitwisseling – om bestaande structuren onder de loep te nemen om de fiscale impact voor de belastingplichtige te kunnen inschatten. Uw fiscale adviseur kan u hierin bijstaan.

hits=5979= / id=3353=