Positieve wending in de soap omtrent gesplitste aankoop

In Archiefby robert

In het juninummer van dit magazine werd in deze rubriek stilgestaan bij de fiscale behandeling van de gesplitste aankoop. De gesplitste aankoop van een (onroerend) goed betreft de situatie waarbij dat goed wordt aangekocht, enerzijds in vruchtgebruik door de erflater en anderzijds in naakte eigendom door de erfgenaam of legataris. Het is gebruikelijk dat de erflater de gelden waarmee de erfgenaam de naakte eigendom aankoopt, vooraf (al dan niet belastingvrij) aan die erfgenaam schenkt. Bij overlijden van de erflater-schenker dooft zijn of haar vruchtgebruik uit en wast dit aan bij de erfgenaam-begiftigde. Deze wordt zo volle eigenaar en dat zonder successierechten; het goed valt immers niet in de nalatenschap van de erfgenaam-schenker!
De gesplitste aankoop werd dan ook hét instrument bij uitstek om de overdracht van onroerend goed fiscaal gunstig te plannen. Een oude fictiebepaling uit ons Wetboek Successierechten (artikel 9) anticipeert op deze techniek, maar de fiscus aanvaardde sinds lang de voorafgaande schenking als tegenbewijs.
Mooie liedjes duren echter niet lang… De administratie reageerde op deze spitsvondigheid door de techniek in zijn befaamde ‘zwarte lijst’ met verdachte rechtshandelingen op te nemen in het kader van de algemene anti-misbruikbepaling.
Op 19 april 2013 wijzigde de zwarte lijst. De gesplitste aankoop werd als bij wonder van de lijst gehaald. Een week later besliste de fiscus echter in een nieuwe administratieve beslissing dat de voorafgaande schenking aan een gesplitste aankoop niet langer als een geldig tegenbewijs wordt aanvaard om de toepassing van artikel 9 W.Succ. te vermijden.
Vervolgens veranderde de fiscus op 18 juli 2013 opnieuw het geweer van schouder. In zijn laatste administratieve beslissing, toepasbaar op “alle rechtshandelingen” die gedaan worden vanaf 1 september 2013, acht hij dergelijk tegenbewijs wel mogelijk wanneer de schenking onderworpen wordt aan registratierechten. Het volstaat ons inziens dat men aantoont dat de kinderen 3% roerende schenkingsrechten hebben betaald op de voorafgaande schenking. Daarnaast is het nu ook mogelijk om aan te tonen dat de begiftigde van de schenking, meestal de kinderen van de legataris-schenker, vrij over de gelden kan beschikken. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer de schenking as such niet specifiek bedoeld was om enkel en alleen de blote eigendom te verkrijgen, maar wel indien de begiftigde vrij kan beslissen over de bestemming van de gelden. Ook dit (moeilijke) bewijs kan dus gebruikt worden tegen de toepassing van artikel 9 W.Succ.
Het is duidelijk dat de wisselende administratieve standpunten onder juristen een klimaat van rechtsonzekerheid installeerden. Het hoeft dan ook geen betoog dat deze positieve wending terug perspectieven opent voor een fiscaalvriendelijke overdracht van onroerend goed

hits=0= / id=3299=