Vormt de Belgische taks op omzetting van toondereffecten een verboden kapitaalsbelasting?

In Archiefby robert

Prejudiciële vraag aan het EU Hof door het Belgisch Grondwettelijk Hof

De regering Di Rupo heeft met ingang van 1 januari 2012 een taks ingevoerd op de omzetting van toondereffecten in effecten op naam of gedematerialiseerde effecten. Het tarief van de belasting wordt vastgesteld op 1 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2012 en op 2 pct. voor de omzetting gerealiseerd in de loop van het jaar 2013.
De wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder bepaalt dat in de periode tussen 1 januari 2008 en 31 december 2013 alle effecten die nog niet op 1 januari 2008 van rechtswege zijn omgezet in gedematerialiseerde effecten, omgezet dienen te worden in gedematerialiseerde effecten of in effecten op naam. Men vreesde dat de vele vennootschappen die de omzetting nog niet gerealiseerd hebben het allerlaatste ogenblik zouden afwachten om ze uit te voeren. Daarom heeft de wetgever een taks ingevoerd die hoger wordt naarmate de uiterste datum om de omzetting te realiseren bereikt of overschreden wordt.

Met betrekking tot deze taks werd een annulatieberoep ingediend bij het Grondwettelijk Hof. De verzoekende partij is samen met haar zonen eigenaar van toonderaandelen van twee Belgische naamloze vennootschappen. Zij heeft op 21 december 2011 het initiatief heeft genomen om die effecten, om te zetten in effecten op naam, maar die omzetting kon niet vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen worden gerealiseerd. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, de personen die hebben ingeschreven op effecten op naam of op gedematerialiseerde effecten, die het voordeel genieten van het verbod tot het heffen van indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals voorzien in artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG en, anderzijds, de personen die hebben ingeschreven op effecten aan toonder, die niet het voordeel van het voormelde verbod genieten. Zij meent bovendien dat de bestreden bepalingen een tweede niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen, namelijk tussen de personen die hun effecten aan toonder vóór 1 januari 2012 hebben omgezet, die het voordeel van het voormelde verbod genieten, enerzijds, en de personen die hun effecten aan toonder niet voor die datum hebben omgezet, die niet het voordeel van dat verbod genieten, anderzijds.

Het Grondwettelijk Hof vraagt zich af of de bestreden belasting, rekening houdend met de bij de wet van
14 december 2005 ingevoerde verplichting om de effecten aan toonder uiterlijk op 31 december 2013 om te zetten in effecten op naam of in gedematerialiseerde effecten, al dan niet dient te worden gekwalificeerd als een « indirecte belasting […] ter zake van […] het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten, alsmede van certificaten van deze stukken, onverschillig door wie zij worden uitgegeven », in de zin van artikel 5, lid 2, van de richtlijn 2008/7/EG van de Raad van 12 februari 2008.

Wanneer er twijfel is over de interpretatie of de geldigheid van een bepaling van het Unierecht die van belang is voor de oplossing van een voor dergelijk rechtscollege hangend geschil, dient dit rechtscollege, zelfs ambtshalve, het EU Hof van Justitie prejudicieel te ondervragen. Daarom heeft het Grondwettelijk Hof besloten deze vraag voor te leggen aan het EU Hof van Justitie alvorens zelf uitspraak te doen over de aangevoerde argumenten. Wordt dus vervolgd.
(GwH 66/2013 dd. 16 mei 2013)

hits=178= / id=3139=