Familiale successieplanning (1) Joop, Sien en de twee piratenschepen

In Archiefby robert

Het eerste verhaal in onze reeks over Belgische familiale successieplanning, gaat over Joop en Sien, doorsnee Nederbelgische echtgenoten Zij emigreerden naar België in 1996 en vonden in het groene Brasschaat een leuk optrekje, dicht bij de zacht kabbelende Laarse beek.

Joop en Sien waren zonder het maken van huwelijkse voorwaarden in het huwelijksbootje gestapt. Hun enige vermogen werd tijdens het huwelijk door hen samen opgebouwd (“aanwinsten”). Joop had in de scheepvaart een aardig vermogen verworven en Sien had hem daarbij goed geholpen. Zij hebben drie aardige kinderen en een rist kleinkinderen.

Het vermogen
Joop en Sien, de zeventig voorbij, maken zich zorgen over hoe het verder moet, mocht één van hen komen te gaan. Hun vermogen, bestaande uit de woning, de inboedel en wat kunst, twee auto’s en beleggingen, volstaat net om aan hen beiden, en vervolgens aan de langstlevende van hen, materiële en psychologische bestaanszekerheid te bieden. Bovendien willen zij, zolang één van hen in leven is, baas blijven over dit vermogen. Zij voelen zich als twee kapiteins op “hun schip”. Valt er één over boord dan moet de andere het schip allen verder kunnen besturen. Er varen in de buurt van hun schip immers ook twee piratenschepen: dat van het nageslacht en dat van de fiscus. Het nageslacht (of hun “koude kant”) zouden wel eens aanspraak kunnen maken op het ouderlijk vermogen. “Geen sprake van”, stellen Joop en Sien dan met klem. Zij mogen het schip niet enteren zolang één van hen nog in leven is. Zij moeten wachten. Ook de andere piraat die klaar staat om bij het overlijden van één van hen het schip te enteren en om een flinke hap van hun vermogen op te eisen, de Belgische fiscus, moet wachten tot alle twee de echtgenoten overleden zijn.
`
Voorbehouden deel
Hoe zullen Joop en Sien die twee piratenboten kunnen afhouden? Wat moeten zij daarvoor doen?
De bedreiging van de boot van het nageslacht kan niet geweerd worden doordat Joop en Sien elkaar maximaal zouden begiftigen, met name door schenkingen onder levenden en/of testamentaire makingen (“giften”) aan elkaar te doen. Giften zijn een te makkelijke prooi voor de kinderen-piraten. Zij hebben bij overlijden van een ouder immers een voorbehouden deel (“reserve”) in de nalatenschap van de overleden ouder (= “legitieme portie”, maar dan in erfgoederen). Dit voorbehouden deel is in dit geval gelijk aan samen drie vierde van de helft van de algehele gemeenschap (helft van de huwelijksgemeenschap die de nalatenschap van Joop of Sien zal uitmaken). Meer dan een kwart van die helft kunnen Joop en Sien niet aan elkaar vermaken. De langstlevende bekomt wel het vruchtgebruik van de reserve van de kinderen, maar dit belet niet dat de kinderen mee aan het roer zitten.

Huwelijksvermogensstelsel
Joop en Sien zullen het over een andere boeg moeten gooien, die van de huwelijksvoorwaarden.
Zij kunnen in een akte houdende aanvulling van hun huwelijksvermogensstelsel afspreken dat de langstlevende bij het overlijden van de eerstoverledene het volledige gemeenschappelijk vermogen zal toebedeeld krijgen (klassiek “verblijvingsbeding in volle eigendom”). Dit is om twee redenen leuk: de langstlevende blijft kapitein en staat alleen aan het roer; daarnaast kunnen de kinderen niet enteren aan de hand van hun reserve. Er valt immers niets te enteren omdat de nalatenschap van de eerstoverledene niets bevat. Zijn/haar helft in de huwelijksgemeenschap is immers via het huwelijkscontract overgeheveld naar de langstlevende. En afspraken in huwelijksvoorwaarden over aanwinsten zijn geen giften, maar rechtshandelingen om baat.

Indien Joop en Sien onder huwelijksvoorwaarden (“koude uitsluiting”) waren gehuwd, dan hadden zij ook een gelijkaardige afspraak kunnen maken, met name door het toevoegen van een “finaal verrekenbeding 0/100”. Die afspraak zou inhouden dat bij het overlijden van één van hen, de andere een verrekenvordering op de nalatenschap van de eerstoverledene zou hebben groot de tegenwaarde van het vermogen van de eerstoverledene. Ook dan zouden de kinderen moeten wachten tot het overlijden van de langstlevende. Dit zou men de “catamaran-structuur” kunnen noemen.

Fictiebepaling
Hoe zit het nu met de andere piraat, de fiscus?
De Belgische fiscus tracht reeds bij het overlijden van één van de twee kapiteins een zware tol te eisen. Die kan oplopen tot iets minder dan 27% berekend op de netto-nalatenschap (de helft van de huwelijksgemeenschap).
Hoewel de verkrijging op grond van een huwelijksvoordeel (bijvoorbeeld verblijvingsbeding in volle eigendom) geen verkrijging uit de nalatenschap is en derhalve in principe niet belastbaar is, kan de fiscus soms wel enteren. Wordt meer dan de helft van de huwelijksgemeenschap aan de langstlevende toebedeeld, dan wordt de toebedeling van het meerdere geacht een testamentaire making te zijn (fictief legaat). Dit is de zogenaamde fictiebepaling van art. 5 W.Succ.

Omzeilen
Vindingrijke loodsen hebben echter drie constructies bedacht om deze fictiebepaling (zoveel mogelijk) te omzeilen.
Door het “verblijvingsbeding onder last”, of de “Casman-clausule”, wordt de huwelijksgemeenschap toebedeeld aan de langstlevende onder last een schuld te erkennen aan de nalatenschap van de eerstoverledene. Die schuld moet pas bij het overlijden van de langstlevende voldaan worden. De langstlevende blijft dus levenslang en ongehinderd in het bezit van alle goederen van de huwelijksgemeenschap. De successierechten worden niet volledig uitgesloten, maar in aanzienlijke mate beperkt. De huwelijksgemeenschap wordt in dit geval immers ten belope van 100% belast. Bij een klassiek verblijvingsbeding in volle eigendom wordt de huwelijksgemeenschap ten belope van 150% belast.

Wanneer zeer waarschijnlijk is wie van de twee kapiteins als eerste de boot zal moeten verlaten, bijvoorbeeld omdat hij/zij terminaal ziek is, kan de algemene gemeenschap volledig in volle eigendom toebedeeld worden aan de niet-terminaal zieke echtgenoot. In dat geval zijn er geen successierechten verschuldigd. Dit is de zogenaamde. “sterfhuisclausule”.

De derde techniek, in België ingevoerd door professor Alain-Laurent Verbeke, veronderstelt dat de echtgenoten gehuwd zijn onder het Belgische stelsel van scheiding van goederen (“catamaran-structuur”). Aan dit stelsel wordt een finaal verrekenbeding 0/100 toegevoegd dat tot gevolg heeft dat de langstlevende in het bezit komt van alle goederen van de beide echtgenoten. Op dit huwelijksvoordeel is de fictiebepaling van art. 5 W.Succ. –ingevolge een lacune in de wet- niet van toepassing.

Voor de goede orde nog dit:
– de beide technieken (sterfhuisclausule en finaal verrekenbeding 0/100) zijn ook op fiscaal vlak slechts volledig sluitend wanneer de echtgenoten (onder welk stelsel zij ook gehuwd zijn) enkel aanwinsten bezitten en gemeenschappelijke kinderen hebben, zoals dit het geval is bij Joop en Sien;
– de materie van de huwelijksvoordelen is voortdurend in evolutie zodat constante waakzaamheid en deskundig advies geboden is.

Wij hopen dat deze bijdrage voor de lezer die zich in het voorgaande verhaaltje erkent, een kompas kan zijn bij het zoeken naar de gepaste zeevaartroute.
In de volgende aflevering hebben wij het over twee voorbeelden van hersamengestelde gezinnen.
Zullen Jaap en Jannetje voor de tweede maal in het huwelijk kunnen treden zonder dat het huwelijk enige weerslag heeft op de erfaanspraken van hun kinderen?
In welke mate zal Hans die in tweede echt met Greet is gehuwd, Greet kunnen bevoordelen?

hits=2= / id=1958=