Aftopregeling in belastingverdrag verduidelijkt, Rechtbank Breda 8 april 2011

In Archiefby robert

Rechtbank Breda kwam weer in beeld bij de volgende procedure. Het huidige belastingverdrag met België bevat een tijdelijke regeling om de heffingsbevoegdheid te regelen over bepaalde oudedagsuitkeringen, zoals lijfrente-uitkeringen. Indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan en het totaal van de uitkeringen meer dan € 25.000 per jaar bedraagt, dan mag Nederland belasting heffen hierover. Voor de jaren 2006 tot en met 2010 is daarbij bepaald dat de heffing in Nederland ten hoogste 25% mag bedragen, de zogeheten aftopregeling.
In de procedure ging om het de volgende casus. Een in 1989 naar België geëmigreerde Nederlander ontving in 2006 twee lijfrente-uitkeringen van in totaal ruim € 56.000, waarvoor hij de premies eerder in Nederland in aftrek heeft gebracht. Volgens de inspecteur was hierover zo’n € 13.000 aan inkomstenbelasting verschuldigd. De inspecteur berekende dit bedrag door op de uitkeringen van € 56.000 de progressieve tarieven van toepassing te verklaren, waaronder het 42%- en deels het 52%-tarief. Gemiddeld genomen bleef de heffing daarbij onder de 25%. Volgens de belastingplichtige mocht echter bij de belastingheffing maximaal een tarief van 25% gerekend worden (en dus niet met de hogere progressieve tarieven), wat leidde tot een belastingheffing van ruim € 8.000.
De rechtbank is het echter eens met het standpunt van de inspecteur. Het genoemde percentage van 25% in de aftopregeling ziet op het gemiddelde tarief.
hits=2= / id=1804=