De Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstelling. Een alternatief?

In Archiefby robert

Enkele jaren geleden hebben wij in dit magazine in een reeks van artikelen een vergelijking gemaakt van de belastingheffing voor beleggingsvennootschappen in diverse landen (zoals de Nederlandse Antillen, Luxemburg, Cyprus, België en Singapore). Uitgangspunt hierbij was een in Nederland gevestigde beleggingsvennootschap met een in België woonachtige aandeelhouder. De vraag is dan of het fiscaal interessant is deze vennootschap in Nederland aan te houden dan wel de zetel te verplaatsen naar een ander land.

De wereld is sindsdien niet stil blijven staan en dus is ook de wijze van belastingheffing in de diverse landen niet meer helemaal hetzelfde. Recentelijk is er een nieuw Nederlands alternatief bijgekomen, de vrijgestelde beleggingsinstelling. Hieronder zullen wij een vergelijking maken tussen een drietal alternatieven.
1. De Antilliaanse vrijgestelde vennootschap
2. De Belgische notionele interestaftrek
3. De Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstelling.

Belangrijk element in de vergelijking zal ook zijn wat de gevolgen zijn als de aandeelhouder in België woont. Uitgangspunt is een Nederlandse B.V. met een eigen – tevens vrij belegbaar – vermogen van € 1 miljoen. Verder wordt aangenomen dat met dit vermogen een netto rendement wordt behaald van 5%, zijnde € 50.000.

De Nederlands-Antilliaanse vrijgestelde vennootschap
In deze variant wordt de Nederlandse B.V. verplaatst naar de Nederlandse Antillen. Op de fiscale en juridische aspecten van een dergelijke zetelverplaatsing (die op zichzelf meer dan de moeite waard zijn) gaan we hier verder niet op in.

In de eerste plaats wordt hierbij de feitelijke leiding van de Nederlandse beleggingsvennootschap verplaatst naar de Nederlandse Antillen. Vervolgens wordt door deze vennootschap een Nederlands-Antilliaanse besloten vennootschap (hierna: NA B.V.) opgericht, waarbij het vermogen van de verplaatste beleggingsvennootschap op het aandelenkapitaal van de NA B.V. wordt gestort. De NA B.V. kan aan de lokale belastingdienst verzoeken om de vrijgestelde status te verkrijgen. In dat geval geldt voor deze vennootschap een vrijstelling voor de winstbelasting (het normale tarief bedraagt 34,5%, inclusief opcentiemen). Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat zowel de statutaire doelstelling van de vennootschap als de feitelijke werkzaamheden bestaan uit het uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verrichten van kredietuitzettingen, beleggingen in effecten en deposito’s. Het dient dus een echte beleggingsvennootschap te zijn. De structuur kan na uitvoering van bovengenoemde stappen als volgt worden weergegeven.

X
België

Verplaatste vennootschap

Nederlandse
Antillen

Vrijgestelde
NA B.V.

Het in de NA B.V. onbelast renderende vermogen, kan op enig moment door deze vennootschap worden uitgekeerd als dividend aan de verplaatste vennootschap. Hierop is geen dividendbelasting verschuldigd. Bovendien valt het door de verplaatste vennootschap ontvangen dividend naar de huidige stand van wetgeving onder de deelnemingsvrijstelling (overigens zijn al enige tijd geleden wijzigingen in de Antilliaanse deelnemingsvrijstelling aangekondigd, maar ook indien deze ingevoerd worden, hoeft de einduitkomst niet anders te zijn). Hierbij wordt, conform het Belgische systeem, 95% van de deelnemingsresultaten vrijgesteld. Per saldo wordt dus 5% van de opbrengsten belast tegen 34,5%. Het effectieve tarief is dus slechts 1,725% voor de zetelverplaatste beleggingsvennootschap. Dit kan met een cijfervoorbeeld worden verduidelijkt.

Winst NA B.V. € 50.000
Af: dividendbelasting € –
Uit te keren dividend € 50.000
Te belasten bij verplaatste vennootschap € 2.500
Belastingheffing hierover € 863

Bij een netto rendement van € 50.000 betekent dit in totaal circa € 863 aan belastingheffing.

De Belgische notionele interestaftrek
In dit magazine is de Belgische notionele interestaftrek vaker aan de orde geweest. Ter volledigheid zullen wij de regeling kort toelichten.
De zetel van de Nederlandse beleggingsvennootschap wordt hierbij naar België verplaatst. Na de zetelverplaatsing wordt de vennootschap onderworpen aan Belgische vennootschapsbelasting. Momenteel bedraagt het Belgische vennootschapsbelastingtarief 33,99%, terwijl het hoogste Nederlandse tarief momenteel 25,5% bedraagt. Het lijkt daarmee in beginsel niet logisch om een vennootschap vanuit Nederland naar België te verplaatsen.

De methode van winstbepaling voor de vennootschapsbelasting is echter in België afwijkend van de Nederlandse methode. Met name de met ingang van 2006 ingevoerde aftrek voor risicokapitaal, die inmiddels beter bekend is als de notionele interestaftrek, leidt tot een aanzienlijke uitholling van de belastinggrondslag die in veel gevallen het nadeel van het hogere belastingtarief meer dan goed maakt.

Met de notionele intrestaftrek wordt het voor vennootschappen mogelijk om op hun eigen vermogen een fictieve rentelast te berekenen, die ze mogen aftrekken van hun belastbare winst. De fictieve intrestaftrek is gelijk aan 3,781% (2007) van het gecorrigeerd boekhoudkundig eigen vermogen van de vennootschap. De toepasselijke intrestvoet zal per jaar worden vastgesteld en kan nooit meer bedragen dan 6,5%. Het tarief voor KMO-vennootschappen (“Klein en Midden ondernemingen”) wordt verhoogd met een half procent (4,281% in 2007). Bij een gecorrigeerd eigen vermogen van een vennootschap ter grootte van € 1 miljoen ontstaat voor kleine vennootschappen op deze wijze een fictieve intrestlast van € 42.810 die zij mag aftrekken van het belastbare inkomen. De belastingheffing verloopt dan als volgt.

Winst verplaatste vennootschap € 50.000
Af: notionele interestaftrek € 42.810
Belastbare winst verplaatste vennootschap € 7.190
Belastingheffing hierover € 2.444

Bij een netto rendement van € 50.000 is derhalve in totaal circa € 2.444 aan belastingheffing verschuldigd, ofwel 4,9%.

De Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstelling
Recentelijk is in Nederland het regime voor de vrijgestelde beleggingsinstelling (hierna: VBI) ingevoerd. Met deze regeling probeert Nederland haar vestigingsklimaat voor beleggingsvennootschappen te verbeteren en het verplaatsen van beleggingsvennootschappen naar laagbelaste landen tegen te gaan. Belangrijkste fiscale voordeel is dat de VBI is vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting.

In beginsel geldt de regeling alleen voor beleggingsvennootschappen. Met vennootschappen waarbij het vermogen grotendeels uit vrije belegbare middelen bestaat maar waarin tevens een onderneming, een pensioenvoorziening of deelnemingen zijn ondergebracht kan men na enige aanpassingen ook in aanmerking komen voor de VBI. In dergelijke situaties kan namelijk overwogen worden om deel van het vermogen (de overtollige vrij belegbare middelen) af te splitsen naar een nieuwe vennootschap. Vervolgens kan deze nieuwe vennootschap omgevormd worden tot een beleggingsinstelling.

Voorwaarden VBI
Sinds 1 augustus jongstleden bestaat de mogelijkheid om de status van vrijgestelde beleggingsinstelling aan te vragen. Om te kwalificeren als VBI dient aan een aantal criteria te worden voldaan. Hieronder zullen wij deze criteria kort toelichten.

1. Beleggingsinstelling
Om te kwalificeren dient sprake te zijn van een beleggingsinstelling in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht. Een beleggingsinstelling wordt hierin omschreven als een rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of verkrijgt. Door de eis van “collectieve” belegging moet er sprake zijn van meerdere aandeelhouders. De verhouding in het aandelenbelang tussen de aandeelhouders is hierbij in beginsel niet relevant. Hierbij is de verdeling 99% versus 1% in de parlementaire behandeling als ‘in beginsel acceptabel’ bestempeld.

2. Rechtsvorm
In de wet wordt als eis gesteld dat er sprake is van een naamloze vennootschap, een fonds voor gemene rekening of een vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm. Een besloten vennootschap zal dan ook door middel van een statutenwijziging omgezet moeten worden in een naamloze vennootschap, voordat deze kan kwalificeren. De nieuwe statuten moeten tevens geschikt zijn voor de overige vereisten die er aan een beleggingsinstelling gesteld worden. Met name houdt dit in dat de doelstelling moet aansluiten bij de nieuwe activiteiten (collectieve belegging van middelen), er een veranderlijk kapitaal mogelijk moet zijn en er regelingen voor de inkoop van aandelen opgenomen moeten worden.

3. Beleggingvereisten
Aan de beleggingen zelf zijn ook voorwaarden verbonden. Er mag alleen worden belegd in bepaalde financiële instrumenten, zoals de volgende beleggingsproducten:
– verhandelbare effecten (obligaties, waardebewijzen, aandelen, opties, warrants, etc.);
– rechten van deelneming in beleggingsinstellingen;
– instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld.
Uitdrukkelijk niet toegestaan zijn bijvoorbeeld beleggingen in onroerende zaken, het verstrekken van leningen aan de aandeelhouders of het aangaan van commanditaire participaties in in Nederland gevestigde ondernemingen. Indirecte beleggingen in onroerende zaken door het participeren in bijvoorbeeld een fiscale beleggingsinstelling die belegt in onroerende zaken zijn echter weer wel toegestaan.

4. Inkoop of terugbetaling
Teneinde te kwalificeren als beleggingsinstelling moeten de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect kunnen worden ingekocht of terugbetaald. Deze soort beleggingsinstellingen worden open-end beleggingsinstellingen genoemd.

Hoofdlijnen fiscale aspecten VBI
Zodra aan alle voorwaarden is voldaan en de belastingdienst aan het verzoek tegemoetkomt zal, met ingang van het volgende boekjaar het regime toegepast kunnen worden. De vennootschap wordt dan vrijgesteld van de Nederlandse vennootschapsbelasting. Wel dient bij de overgang afgerekend te worden over de aanwezige stille reserves. Bij beleggingsvennootschappen gaat het met name om stille reserves in de reeds aanwezige beleggingen. Verder geldt er een vrijstelling in de dividendbelasting. Bij dividenduitkeringen aan aandeelhouders hoeft dus niet langer dividendbelasting ingehouden te worden. Hierop geldt wel een belangrijke uitzondering. Voor winsten die zijn gemaakt voorafgaand aan de toekenning van de VBI-status moet bij uitkering wel dividendbelasting ingehouden worden. Dit betreft de winsten uit de periode dat de vennootschap nog normaal belastingplichtig was.

Bij de aanmerkelijk belanghouder vindt in de inkomstenbelasting uiteindelijk wel belastingheffing plaats. Voor de inkomstenbelasting dient namelijk jaarlijks een forfaitair rendement aangegeven te worden van 4% over de waarde in het economische verkeer van de aandelen per 1 januari van het betreffende jaar. Dit rendement wordt belast in box 2 tegen het reguliere tarief van 25%. Bij een vermogen van 1 miljoen betekent dit dus in totaal € 10.000 aan belastingheffing, wat neerkomt op 1% van het vermogen. Bij verkoop van de aanmerkelijk belangaandelen wordt de opbrengst op de gebruikelijke wijze belast in box 2. Het verschil tussen de verkoopopbrengst en de verkrijgingsprijs wordt derhalve in aanmerking genomen tegen een tarief van 25%.

VBI en de Belgische grootaandeelhouder
Het bovenstaande geldt voor inwoners van Nederland. De vraag is hoe het een en ander uitwerkt voor niet in Nederland woonachtige belastingplichtigen, zoals inwoners van België. Inwoners van België worden in Nederland aangemerkt als buitenlands belastingplichtige. Op grond van de Nederlandse regelgeving geldt dat buitenlandse belastingplichtigen ook in de heffing betrokken worden voor het forfaitair rendement van 4% over het vermogen. In beginsel wordt de buitenlandse belastingplichtige dus op dezelfde wijze in Nederland belast (in de vennootschapsbelasting geldt een dergelijke buitenlandse belastingplicht overigens niet).

Vervolgvraag is of Nederland op grond van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België ook daadwerkelijk tot heffing mag overgaan. Daarvoor kunnen meerdere, tegenstrijdige, redeneringen gevolgd worden. Een eerste redenering komt er op neer dat het verdrag Nederland niet de ruimte biedt om tot heffing over te gaan. Dit heeft er mee te maken dat het in casu niet gaat om daadwerkelijk ontvangen inkomsten, maar om een forfaitair (fictief) voordeel, dat belast wordt op basis een wetswijziging. In het verleden heeft de Hoge Raad beslist dat in verdragssituaties bepaalde fictieve inkomsten alleen in aanmerking genomen mogen worden, indien dit geen wijziging in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen landen met zich meebrengt, zoals zij dit ten tijde van de invoering van het verdrag hebben afgesproken. In dit geval is er enerzijds sprake van een wetswijziging na inwerkingtreding van het nieuwe verdrag met België. Anderzijds kende Nederland echter ook hiervoor al een bepaling op basis waarvan een aanmerkelijk belang in een buitenlandse beleggingsvennootschap fictief werd belast.

Een andere redenering is de volgende, waarbij belangrijk is dat de VBI geen verdragsbescherming geniet (de aandeelhouder kan als inwoner van België overigens wel verdragsbescherming genieten). Vennootschappen die in hun vestigingsstaat niet aan belastingheffing onderworpen zijn, kwalificeren namelijk niet als verdragsinwoner. De vervolgvraag is dan op grond van welk verdragsartikel Nederland de inkomsten in de heffing kan betrekken. Op grond van het dividendartikel van het belastingverdrag mag Nederland dividenduitkeringen aan inwoners van België in de heffing betrekken tegen een tarief van maximaal 15%. Dit zou dus betekenen dat de belastingheffing in het beschreven voorbeeld wordt beperkt tot € 6.000 (in plaats van € 10.000). Voor het dividendartikel is echter wel van belang dat sprake is van een vennootschap die voor het belastingverdrag als inwoner van Nederland kwalificeert. Zoals eerder opgemerkt is dit bij de vrijgestelde beleggingsinstelling niet het geval. Het dividendartikel lijkt in deze situatie dan ook niet van toepassing.

Mogelijk kan Nederland dan wel tot heffing overgaan op basis van het zogenoemde restartikel uit het belastingverdrag. Op grond van dit artikel mogen inkomsten die niet in overige artikelen van het verdrag beschreven zijn, in het woonland (België) belast worden. Het recht op belastingheffing verhuist echter weer naar het bronland (Nederland), indien het woonland niet tot heffing overgaat. Aangezien België geen vergelijkbare regeling kent (zoals het Nederlandse forfaitaire rendement voor aanmerkelijk belangaandelen), kan dit betekenen dat Nederland wel tot heffing mag overgaan. Bijkomend ‘voordeel’ voor Nederland is dan dat zij dan niet gebonden lijkt aan het tarief van maximaal 15%, zodat de belastingheffing alsnog € 10.000 (25%) bedraagt.

Het bovenstaande kan daarnaast anders worden uitgelegd, zodra er sprake is van een (beperkte) feitelijke dividenduitkering. Daarnaast blijkt dat belastingheffing bij de VBI voor een in België woonachtige aandeelhouder nog allerminst uitgekristalliseerd is. Daarmee is het ook moeilijk dit alternatief te vergelijken met de Antilliaanse en de Belgische variant, te meer daar in dat geval er tijdens het bezit geen belastingheffing bij de achterliggende aandeelhouder optreedt.

Afsluiting
In dit artikel hebben wij drie alternatieven besproken voor beleggingsvennootschappen. Met name is hierbij de effectieve belastingheffing vergeleken. Zoals opgemerkt is het momenteel niet met zekerheid te zeggen hoe de belastingheffing uitwerkt bij de Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstelling. Wellicht vindt helemaal geen belastingheffing plaats, echter een vergelijkbare heffing met inwoners van Nederland (15% of 25%) behoort ook tot de mogelijkheden. De praktijk moet dit uitwijzen. Samenvattend is de belastingheffing bij de verschillende alternatieve
als volgt.

Bedrag aan Effectief
belastingheffing Tarief
Nederland zonder VBI (normaal tarief) € 10.875 21,8%
Nederlands-Antilliaanse vennootschap € 863 1,7%
Belgische notionele intrestaftrek € 2.444 4,9%
Nederlandse vrijgestelde beleggingsinstelling € 0/€ 6.000/€ 10.000 0%/12%/20%

Ten slotte dient bij een definitieve keuze voor een van deze alternatieven niet alleen naar het effectieve tarief gekeken te worden. De keuze zal namelijk in iedere individuele situatie anders zijn. hits=0= / id=1576=