Zorg Zorgen. Een voortgangsrapportage. De pleidooien voor de Amsterdamse rechtbank

In Archiefby robert

Deze (derde) keer trad er een President op die zich grondig had voorbereid en scherpe vragen stelde aan de drie partijen: de internationale stichting tegen de SVB en CVZ als verweerders. In tien procedures zijn de twee bekende geschilpunten aan de orde gesteld: (a) het keuzerecht en (b) de wijze van berekening van de woonlandfactor.

Een lange zitting
De President deelde mee dat – gezien de ingewikkelde materie – de Rechtbank zich vermoedelijk niet zou kunnen houden aan de termijn van zes weken om tot een vonnis te komen. Een verwijzing naar het Europese Hof met vragen over de uitleg van Europese wetgeving werd niet uitgesloten. Daarbij zou het kunnen gaan om de interpretatie van de verordening 1408/71, met name art.33, dus om de vraag: (a) kan de Nederlandse staat alle gepensioneerden tot inschrijving middels een E 121 dwingen? en (b) kan de Nederlandse staat zich daarmee het recht toe-eigenen om een bijdrage van alle pensioenen af te trekken?
Het woonland kan gepensioneerden niet verplichten tot inschrijving. Dat zal dat land ook niet doen, want het loopt bij inschrijving het volle risico dat de kosten van een gepensioneerde die zich aanmeldde hoger blijken te zijn dan de standaard vergoeding door Nederland. Die vergoeding is een gemiddelde dat door ‘Europa’ wordt vastgesteld voor ieder van de lidstaten.
In het pleidooi werd er op gewezen dat particulierverzekerden (circa 40.000) vóór 1 januari 2006 geen mogelijkheid hadden om op artikel 28 van de verordening een beroep te doen en zich te laten inschrijven. Zij waren immers reeds verzekerd. Na die datum willen zij het niet. Het pakket dat zij opgedrongen kregen, is immers inferieur aan wat hen ontnomen is, terwijl het afsluiten van een particuliere aanvullende verzekering in vele gevallen onbetaalbaar, zo niet geheel onmogelijk is. Zij willen dus herstel van het particuliere contract dat eenzijdig werd opgezegd en dat terwijl vele van die contracten een clausule bevatten dat zij nooit mogen worden opgezegd! Gegeven het feit dat circa 90% van de ziektekosten zich voordoen in de laatste levensjaren, is dit een logische clausule.

Voor een verslag van de rechtbankzitting wil ik u verwijzen naar het artikel ‘Pensionado’s versus CVZ en SVB’. Over de woonlandfactor een volgende opmerking. De heffingen van expat-pensioenen worden door Nederland berekend op basis van verschillen in gemiddelde kosten van de sociale verzekering van de totale bevolking, zulks in plaats van alleen de gepensioneerden (bron: Ministerie van WVS).
Waarom verstrekt Nederland geen cijfers over de gemiddelde kosten van de categorie 65+ waartoe de verordening verplicht, een logisch systeem dat de overgrote meerderheid van de lidstaten wél volgt. Waarom? SVB vindt het lastig om te preciseren wat moet worden verstaan onder ‘gepensioneerden’: er zijn er jonger dan 65, er zijn gezinsleden. Het antwoord daarop is eenvoudig: Pensioentrekker is eenieder die valt binnen de toepassingssfeer van artikel 28 en volgende van de Europese verordening 1408/71. Die definitie wordt nota bene in de dagelijkse praktijk toegepast op gepensioneerden die in Nederland wonen en een pensioen uit een andere lidstaat ontvangen!
Het is wél een feit dat dit systeem voor Nederland voordelig uitvalt en voor de expat-gepensioneerden nadelig.
Een ding staat duidelijk vast: de ongelijke behandeling van de gepensioneerden buiten Nederland is niet opgeheven en daarmee is ook het gelijkheidsbeginsel miskend. Zie de uitspraak van de Haagse Rechtbank in kort geding dd. 31-03-’06.
In het verweer wordt ook op de risico’s voor Nederland gewezen. Dit argument raakt kant noch wal. Juist het woonland loopt risico.

De rechters gaven blijk de materie zeer grondig bestudeerd te hebben en de gestelde vragen waren terzake en scherp. Dat bepaalde de sfeer tijdens een zitting, die met twee korte pauzes zes uren duurde. Welk een contrast met de Raad van State! Gezien de gecompliceerde materie kon de President niet een uitspraak binnen zes weken beloven.
Hoe de uitspraak zal uitvallen voor de gedupeerden blijft natuurlijk onzeker. De President noemde twee mogelijkheden: (a) een vonnis, of (b) een z.g. ‘tussenvonnis’. In het laatste geval legt de Rechtbank vragen voor aan het Europese Hof. De verdediging van de gedaagden (CVZ en SVB) was op de meeste punten een herhaling. Aan het brilliante betoog van onze advocaten Pijnacker Hordeijk en Geurssen zal het overigens niet liggen! Kan men zich wagen aan een voorspelling over de inhoud van het vonnis? Zeker niet, men beware zijn geduld tot in het nieuwe jaar.

hits=0= / id=1575=