De gevolgen van het Van der Steen-arrest

In Archiefby robert

In 2002 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat een directeur-groot aandeelhouder van een vennootschap (in de meeste gevallen) ondernemer is voor de omzetbelasting. Deze directeur-groot aandeelhouder (DGA) ging dan meestal een fiscale eenheid met “zijn” vennootschap aan en had de mogelijkheid om de BTW op diverse kosten bij de belastingdienst terug te vragen. In de Nederlandse belastingpraktijk is van deze mogelijkheden gebruik gemaakt.
De vraag kwam meteen in de literatuur op of de Hoge Raad het hier wel bij het juiste eind had en uiteindelijk zijn er vragen gesteld aan de Europese rechter. In het arrest Van der Steen uit 2007 bepaalt het Europese Hof van justitie uiteindelijk dat een DGA in beginsel geen ondernemer voor de omzetbelasting is. Deze Europese rechtspraak gaat voor en dus waren veel DGA’s ineens geen ondernemer meer.
De resterende vraag was dan nog wat te doen met de afgetrokken BTW: kon deze door de Nederlandse belastingdienst (deels) worden teruggevorderd?
In dit arrest komt de Hoge Raad tot de conclusie dat dit over het algemeen niet zal kunnen. Het niet langer zijn van ondernemer voor de omzetbelasting kan niet worden gezien als een fictieve levering waarover BTW moet worden betaald. Dit is daarom een gunstige uitspraak voor veel DGA’s.
Hoge Raad 14 december 2012

hits=1= / id=1469=