Successierechten bij verkrijging tussen een langstlevende ongehuwd samenwonende partner “stiefouder” en een “stiefkind”

In Archiefby robert

Wanneer een stiefouder als langstlevende echtgenoot van de biologische ouder overlijdt en een legaat vermaakt aan zijn stiefkind (het kind van de eerstoverleden echtgenoot-biologische ouder), betaalt het stiefkind het tarief in de rechte lijn (in Vlaanderen 3%, 9% en 27%) (art. 50 al. 1, eerste zin, Vl. W.Succ.). Maar wanneer een stiefouder als langstlevende ongehuwde samenwonende partner overlijdt, en een legaat vermaakt aan zijn stiefkind (het kind van de eerstoverleden ongehuwde samenwonende partner-biologische ouder) was volgens de tekst van de wet en de fiscale administratie het vreemdentarief van toepassing (in Vlaanderen 45%, 55% en 65%) (art. 50, al. 1, tweede zin, Vl.W.Succ.). De reden was dat wanneer de ongehuwde samenwonende partner-ouder van het kind vooroverleden is, er van een “samenwoning” tussen de twee ongehuwde partners geen sprake meer is. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat dit onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt (arrest nr. 163/2012 van 20 december 2012). Dit betekent concreet dat de volgorde van de overlijdens geen enkele rol meer speelt, noch bij gehuwde partners, noch bij ongehuwde samenwonende partners die iets aan een stiefkind willen nalaten.hits=318= / id=1455=