Nederlandse stichting-administratiekantoor en de Kaaimantaks

In Archiefby robert

Onlangs werden in het parlement aan de Minister van Financiën vragen gesteld over de toepassing van de Kaaimantaks op buitenlandse fiscaal transparante structuren. De vraag betrof onder meer partnerships die in het land van vestiging fiscaal transparant worden behandeld (Parlementaire vraag nr. 419 van de heer Roel Deseyn van 23.06.2015, behandeld in de Kamer op 25 januari 2016, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/059, blz. 213). Volgens de vraagsteller zou de Kaaimantaks geen rekening houden met de hypothesen, waarbij er volgens Belgisch recht al een fiscale transparantie geldt, zoals bijvoorbeeld in geval van de certificering van aandelen via een stichting-administratiekantoor. De vraagsteller wil vernemen of voor die gevallen uitzonderingen zullen worden opgenomen in de wet.
Wat de “partnerships” betreft, vestigt de Minister de aandacht op het feit dat er omtrent deze partnerships geen eenduidige definitie bestaat. Deze zouden dus kunnen beschouwd worden als een juridische constructie van het eerste of tweede type (zonder rechtspersoonlijkheid of met rechtspersoonlijkheid). De Minister stelt dat de partnerships in veel gevallen echter niet belastbaar zullen zijn in de doorkijkbelasting, op voorwaarde dat de partnerships effectief een economische activiteit uitoefenen en beschikken over een geheel van lokalen, personeel en uitrusting in hun vestigingsplaatsen die in verhouding is met de voornoemde economische activiteit.

De Minister antwoordt verder dat de doelstelling van de Kaaimantaks bestaat in het oplossen van een heffingsvacuüm. Het voorgestelde systeem (de transparantie) is dusdanig uitgewerkt dat het op een harmonieuze wijze de legitieme belangen van de Schatkist en van de belastingplichtige verzoent. Dit betekent dat het stelsel de fiscus dient toe te laten de belasting te heffen in het geval waarin door de tussenkomst van de juridische constructie in kwestie een normale heffing van de belasting werd ontweken. Daarentegen vallen Nederlandse stichtingen die gevestigd zijn in Nederland vooralsnog niet onder het toepassingsgebied van deze maatregel en is er dus niets veranderd voor de belasting van de houders van certificaten gevestigd in België voor de inkomsten die zij ontvangen. De Minister is echter is niet van plan om uitdrukkelijke uitzonderingen te voorzien in de wet voor deze gevallen.
De Minister lijkt dus te suggereren dat de Kaaimantaks niet bedoeld is voor situaties die reeds fiscaal transparant worden behandeld in België en waarin er geen heffingsvacuüm bestaat, zoals bij de Nederlandse stichting-administratiekantoor. Certificaathouders zouden zich dus geen zorgen moeten maken. Dit antwoord kon verwacht worden en ligt in de lijn van de doctrine. Bovendien is de Nederlandse stichting-administratiekantoor niet opgenomen op de limitatieve lijst van geviseerde rechtspersonen, die gevestigd zijn binnen de EER.

In het licht van voormeld antwoord is de eerste gepubliceerde ruling van de federale dienst voorafgaande beslissingen (DBV) over de Kaaimantaks op zijn minst verrassend te noemen. In ruling 2015.538 komt DBV immers tot het besluit dat de dubbele structuur, waarbij de delen van een Belgische burgerlijke maatschap worden gecertificeerd via een Nederlandse stichting-administratiekantoor, in zijn geheel wel te beschouwen is als een juridische constructie van het eerste type (trustachtige rechtsverhouding). Volgens DBV brengt de toepassing van de Kaaimantaks op dergelijke dubbele structuur heel wat extra formaliteiten mee voor de belastingplichtige. Zo dient bij de aangifte personenbelasting jaarlijks een jaarrekening van de burgerlijke maatschap en van de stichting-administratiekantoor te worden gevoegd, ondertekend en voor echt verklaard door alle maten en certificaathouders. Deze jaarrekening moet een begin- en eindbalans en de resultaten bevatten (geventileerd in tenminste dividenden, interesten en meerwaarden). De ventilatie dient te gebeuren per rijksinwoner, met aanduiding van de inkomsten die reeds aan roerende voorheffing werden onderworpen en de inkomsten die nog aan te geven zijn (Voorafgaande beslissing nr. 2015.538 dd. 22.12.2015, bron: www.fisconetplus.be )