Kaaimantaks – de uitbreiding van het toepassingsgebied – de dubbelstructuren

In Archiefby robert

Onlangs werd de minister van Financiën in de Kamer ondervraagd over de uitbreiding van het toepassingsgebied van de kaaimantaks, alsook over de kaaimantaks en de zogenaamde dubbelstructuren (Parlementaire vragen nr. 11276 en nr. 11277).
De vraagsteller verwijst naar de aanpassingen die eind 2015 werden doorgevoerd aan de kaaimantaks. De aanpassingen dienden om een aantal loopholes van de kaaimantaks te dichten. Entiteiten en vennootschappen waarvan de rechten door één persoon of meerdere met elkaar verbonden personen worden aangehouden, in voorkomend geval per afzonderlijk compartiment beschouwd, worden sinds die aanpassingen wel als juridische constructies aangemerkt. In de praktijk betreft het vaak de aandelen van of compartimenten van een Luxemburgse SICAV, die door met elkaar verbonden personen worden aangehouden.

De vraagsteller wenst van de minister te vernemen of hij van oordeel is dat de kaaimantaks en de aangifteplicht van toepassing zijn op alle instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) en de compartimenten van de ICB’s, ongeacht of het publieke, institutionele of privé-ICB’s betreft. De minister antwoordt dat de betrokken wetswijziging inderdaad tot doel heeft zowel private als publieke en institutionele instellingen die in feite privaat worden beheerd te viseren. Op basis van een lezing van de wettekst is het echter onduidelijk hoe de minister tot dit besluit komt.

De vraagsteller stelt verder nog een vraag over een nog aanwezige loophole in de kaaimantaks. De kaaimantaks kijkt door offshoreconstructies zoals een Panamese vennootschap en belast zo rechtstreeks de eigenaar van de constructie in België. De doorkijkbelasting geldt volgens de vraagsteller alleen indien de Belgische belastingplichtige rechtstreeks participeert in de offshoreconstructie. De kaaimantaks zou dus relatief eenvoudig kunnen worden omzeild door gebruik te maken van een tussenstructuur. De vraagsteller dringt erop aan dat deze loophole wordt gesloten.

De minister stelt dat de kaaimantaks aan het einde van het jaar zeker zal geëvalueerd worden. Indien deze evaluatie erop wijst dat bijkomende aanpassingen aangewezen zijn, zal de minister niet nalaten om aan de regering voor te stellen die wijzigingen ook effectief aan te brengen.
De minister stelt verder dat problematiek van de dubbelstructuren uiteraard bekend is. Hij haalt een voorbeeld aan waarbij een trust wordt opgericht en waarbij deze trust vervolgens zelf een rechtspersoon in het leven roept met als doel de initieel in de trust ingebrachte goederen te beheren. Volgens de minister is de fiscale administratie, wiens mening hij volledig deelt, van oordeel dat de beschreven structuur wel degelijk onder het toepassingsgebied van de kaaimantaks valt. Het zou ook het doel van de kaaimantaks volledig miskennen indien het louter opstapelen van juridische constructies simpelweg zou toelaten de doorkijkbelasting te ontwijken. In verband met de aangehaalde voorbeelden mag volgens de minister de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling (artikel 344§1 WIB) niet uit het oog verloren worden. Indien echter wettelijke ingrepen noodzakelijk zouden blijken, zullen de nodige voorstellen snel en effectief geformuleerd worden.

De vraagsteller repliceert echter dat de antimisbruikbepaling waarnaar de minister verwijst, niet van toepassing kan zijn op constructies uit het verleden. De kaaimantaks is immers van een latere datum. Hij ziet dus niet in hoe de antimisbruikbepaling van toepassing kan zijn op vroegere constructies. De vraagsteller wil dus nog graag vernemen hoe dit toch onder de kaaimantaks kan vallen. De minister blijft echter het antwoord schuldig op deze repliek.
Momenteel buigt het parlement zich over het ontwerp van programmawet. In het ontwerp is een hogere boete opgenomen voor het niet-naleven van de meldplicht inzake het bestaan van juridische constructies (in de aangifte personenbelasting of rechtspersonenbelasting). Deze hogere boete zal 6.250,00 euro bedragen. In navolging van het advies van de Raad van State zal de hogere boete geen uitwerking hebben voor het verleden, maar dus slechts vanaf inkomstenjaar 2016.