AOW en Personenbelasting

In Archief by robert

Nu bij de administratie (tot nu toe) en bij de rechtspraak van België het gehele traject over het bovengenoemd onderwerp door mij is afgelegd, lijkt het me interessant te kijken naar de motiveringen van de administratie en van de rechtspraak waarom men mijn verzoek en dat van anderen om geen personenbelasting over mijn/onze AOW-inkomen te heffen afwijst.

In mijn opleiding als historicus heb ik geleerd nooit een bewering van wie dan ook letterlijk over te nemen, tenzij die door mij persoonlijk is onderzocht en als juist is bevonden. De administratie en de rechtspraak munten uit in het klakkeloos overschrijven van elkaars meningen zonder enige controle op de juistheid ervan.

– Het Hof van Cassatie stelde in 2009 wat de administratie overnam in 2011, in 2015 en in 2016: “De AOW-uitkering beoogt op zijn minst de compensatie van een feitelijk theoretisch verlies aan inkomsten uit arbeid, het herstel van een bestendige inkomstenderving toe te schrijven aan een arbeidsongeschiktheid die zijn oorsprong vindt in het bereiken van zijn pensioenleeftijd. Dus maakt de AOW normaal en gebruikelijk een beloning uit voor een vroegere dienstbetrekking”.
Mijn commentaar: wie heeft deze onzinnige redenering die nergens op gestoeld is ooit verzonnen?

– Het Hof van Beroep te Antwerpen in 2013: “De AOW-pijler behoort tot de tweede pijler van het Nederlands pensioenstelsel en deze visie wordt bevestigd door het gemeenschapsrecht en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie”.
Mijn commentaar: dit Hof weet kennelijk niet, dat de AOW de eerste pijler is. Het Hof geeft ook geen bewijs voor zijn bewering van het gemeenschapsrecht en van het Europees Hof van Justitie. In arresten van het Europees Hof van Justitie blijkt het tegendeel van wat hier beweerd wordt.

– Het Hof van Cassatie (2013) stelt, overgenomen door de administratie in 2016: “ De omstandigheid dat het Nederlands Algemeen Ouderdomspensioen in bepaalde gevallen ook wordt toegekend aan personen die geen beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend, niet tot gevolg heeft dat het pensioen dat wordt toegekend aan personen die wel een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend, geen pensioen is dat rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een beroepswerkzaamheid. Deze zienswijze wordt bevestigd door het gemeenschapsrecht, de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie “.
Mijn commentaar: het Hof geeft geen enkel bewijs voor deze bewering.

– De administratie (2015) stelt: “Dat bijgevolg de kwestieuze Nederlandse AOW-uitkering volledig onder de toepassing van deze verordening (1408/71) valt, hetgeen duidelijk wordt bevestigd door de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (C-262/97)” en “In zijn arrest C-165/91 stelt het Europees Hof van Justitie dat de AOW-uitkering duidelijk een pensioen of als zodanig geldend voordeel zoals bedoeld in de Belgische pensioenwetgeving betreft”.
Mijn commentaar: in 262-97 staat in overweging 5: “In Nederland bepaalt de Algemene Ouderdomswet, dat iedere ingezetene verplicht verzekerd is van de leeftijd van 15 tot 65 jaar, ongeacht of hij al dan niet een beroepsactiviteit uitoefent en ongeacht zijn nationaliteit”. En in C-165/91 staat in overweging 14: “In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de AOW-uitkering blijkens de stukken het karakter van een bodemvoorziening heeft, in die zin dat de betrokkenen een inkomen op het niveau van het sociaal minimum wordt gegarandeerd, onafhankelijk van hun eventuele bijkomende inkomsten”.

– De administratie in 2015: “Hoe een AOW-uitkering in de Nederlandse regelgeving wordt geïnterpreteerd is in deze zaak in wezen niet relevant”. Ook het Hof van Cassatie (2016) vindt het niet relevant hoe een AOW-uitkering in Nederland wordt geïnterpreteerd.
Mijn commentaar: Dit is in strijd met de Europese Verordening 883/2004 die geldend is vanaf 1 mei 2010.

– De administratie in 2015, haalt een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 2013 aan; “Het Hof van Beroep te Antwerpen merkt bovendien op dat deze visie in de lijn ligt van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen”.
Mijn commentaar: kennelijk weet men niet, dat de vermelde Verordening is vervangen door de Verordening 883/2004. Dit niet-weten wordt meermalen herhaald bij de administratie en de rechtspraak. Overigens is deze nieuwe Verordening een bevestiging van de oude Verordening: “Het is noodzakelijk dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode wordt uitgewerkt”.

– Het Hof van Cassatie !n 2009 en de administratie in 2016: “De AOW-uitkering maakt bijgevolg normaal en gebruikelijk een beloning uit voor een vroegere dienstbetrekking en het is niet omdat op grond van een solidariteitsgedachte bepaalde personen die geen dienstbetrekking uitoefenden toch een AOW-uitkering kunnen genieten, dat de aard van de uitkering wordt gewijzigd.” Dit na een opmerking dat beide pensioenpijlers ( de AOW en een bedrijfspensioenfonds) niet los van elkaar gezien kunnen worden.
Mijn commentaar: het Hof van Cassatie en de administratie maken op deze wijze van de sociale wetgeving ( AOW ) een werknemersverzekering.

– Het Hof van Cassatie, 2016: “Er bestaat geen betwisting over het feit dat zijn uitkering werd opgebouwd door inhouding van bijdragen op zijn loon in de jaren dat hij in Nederland werkte. ….De AOW houdt dus verband met de beroepswerkzaamheden die door de eiser in Nederland werden uitgeoefend. Zij (het Hof van Beroep te Antwerpen) verantwoorden aldus hun beslissing naar recht”.
Mijn commentaar: het Hof negeert het feit dat het AOW-recht wordt verworven op basis van het ingezetenschap. Negeert het gegeven, dat de premie niet wordt ingehouden op het loon maar op het inkomen dat meer componenten bevat dan inkomsten uit beroepswerkzaamheden; het feit, dat er geen enkel verband is tussen de hoogte van het AOW-pensioen en de betaalde premies en het gegeven dat in dit geval het omslagstelsel geldt ( dus werkenden betalen in enig jaar een premie waaruit de gepensioneerden in dat jaar hun uitkering krijgen) en niet een individuele premiebetaling voor een eigen persoonlijke pensioenopbouw.

Mijn commentaar in het algemeen: sinds ik een officiële brief had ontvangen van het Nederlandse Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (10 april 2014), en van de Sociale Verzekeringsbank, de officiële uitvoerder van deze wet (25 november 2014), heb ik deze stukken ingebracht bij de administratie en bij de rechterlijke macht. Men is in het geheel niet op deze stukken ingegaan. In deze officiële brieven staat uitdrukkelijk, dat mijn AOW in geen enkel verband staat met enige beroepswerkzaamheid.

dr. Wim Harkx