Nederland mag heffen in box 3 over inkomen uit buitenlands beleggingsfondsen

In Archiefby robert

Deze uitspraak gaat over het belasten van inkomen uit vermogen. Vóór 2001 werden de werkelijke inkomsten zoals rente en dividend belast. Vanaf 2001 geldt het Box 3-systeem en wordt er belasting geheven door bij de waarde van het vermogen uit te gaan van een forfaitair rendement van 4%. Dit rendement wordt belast tegen een vast tarief van 30%. Effectief wordt er 1,2% belasting geheven over de waarde van het vermogen.
Er wordt dus niet gekeken naar het werkelijk behaalde inkomen uit het vermogen. Zo kan het gebeuren dat er geen enkel inkomen uit vermogen is ontvangen, maar er toch de jaarlijkse 1,2% belasting betaald moet worden.

De vraag die in deze zaak is gesteld is hoe Box 3 dan samenloopt met belastingverdragen. Belastingverdragen gaan namelijk uit van daadwerkelijke inkomsten zoals rente en dividend, en wijzen die “soorten” inkomsten toe aan het woonland en/of aan het bronland. Deze toewijzingsbepalingen lijken te botsen met Box 3, omdat Box 3 heft naar een jaarlijks vast forfaitair rendement van 4%.

De belastingplichtige in deze zaak neemt dan ook het standpunt in dat Nederland over zijn participaties in buitenlandse fondsen op grond van belastingverdragen niet (of beperkt) mag heffen. De Hoge Raad echter stelt dat belastingverdragen niet tot gevolg hebben dat Nederland niet mag heffen in box 3 en dat Nederland een fictie toe mag passen om het inkomen vast te stellen.

hits=86= / id=3590=