Repliek op: Lezersvraag – Dubbele heffing op pensioenuitkering.

In Archiefby robert

Uit het antwoord op de lezersvraag gepubliceerd in NederBelgischMagazine van juli/augustus 2011 (p. 80-81), blijkt dat het dubbelbelastingverdrag gesloten tussen België en Nederland in de praktijk nog steeds verkeerd wordt geïnterpreteerd en toegepast.
Wij begrijpen immers uit het antwoord van de heren M. de Clercq en T. Vermeulen dat zij ervan uitgaan dat “indien de pensioenuitkering in België niet of tegen een laag tarief mag worden belast, Nederland dan exclusief heffingsbevoegd is. In België wordt de uitkering dan (zonder progressievoorbehoud) volledig vrijgesteld.”

Dit standpunt is in strijd met de tekst van artikel 18 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag.
Vooreerst wordt opgemerkt dat zelfs indien het zo zou zijn, quod non, dat de heffingsbevoegdheid exclusief naar de bronstaat zou gaan (wanneer de voorwaarden daartoe vervuld zijn), dan nog zal de door de Belgische rijksinwoner genoten uitkering in de Belgische aangifte in de personenbelasting moeten worden vermeld. Er kan dus nooit sprake zijn van een volledige vrijstelling zonder progressievoorbehoud in België.
Bovendien is er ons inziens trouwens géén sprake van een exclusieve heffingsbevoegdheid van de bronstaat.

Artikel 18, 1e paragraaf van het verdrag stipuleert als principe dat de woonstaat exclusief heffingsbevoegd is aangaande pensioenen. Dit wordt ook bevestigd in het antwoord op de lezersvraag.
Artikel 18, 2° paragraaf van het verdrag wordt ons inziens echter niet correct gelezen. Dit artikel vangt aan als volgt: “Niettegenstaande het bepaalde in paragraaf 1, mag een daar bedoeld inkomstenbestanddeel ook worden belast in de Verdragsluitende Staat waaruit dit inkomstenbestanddeel afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat, indien en voor zover: […]”

Uit bovenvermelde bepaling blijkt ons inziens duidelijk dat de bronstaat ook heffingsbevoegdheid verwerft indien aan de drie nader op te sommen voorwaarden is voldaan. Kort samengevat, is de heffingsbevoegdheid van de bronstaat afhankelijk gesteld van de volgende drie cumulatieve voorwaarden:
1. de aanspraak op de (al dan niet periodiek betaalbare) inkomstenbestanddelen is in de opbouwstaat vrijgesteld van belastingheffing, ofwel is de bijdrage aan het pensioenfonds in de opbouwstaat afgetrokken van het fiscaal resultaat of werd er fiscale faciliëring voor genoten.
2. het inkomstenbestanddeel wordt in de woonstaat niet belast aan het algemeen toepasselijke progressieve belastingtarief ofwel wordt het brutobedrag er voor minder dan 90% in de belastingheffing betrokken.
3. Op jaarbasis betreft het inkomstenbestanddeel minimaal € 25.000.

Er wordt in deze bepaling helemaal niet gesteld dat België in voorkomend geval zijn (principiële) heffingsbevoegdheid verliest.
Het expliciet gebruik van het woord ‘ook’ in artikel 18, §2, a van het dubbelbelasting is an sich duidelijk. Het wordt in géén enkel ander artikel in het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag gehanteerd, laat staan in een ander dubbelbelastingverdrag. Wanneer een dubbelbelastingverdrag een afwijking op de principiële heffingsbevoegdheid van de ene verdragsstaat stipuleert, dan wordt ondubbelzinnig een afwijking gestipuleerd. Wij verwijzen ter illustratie naar artikel 15 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag, waarin in §1 de principiële heffingsbevoegdheid bij grensoverschrijdende tewerkstelling aan de werkstaat wordt toegekend. Welnu de uitzondering hierop, met name dat de woonstaat heffingsbevoegd is, wordt duidelijk verwoord in §2 (“Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 zijn beloningen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een in de andere Verdragsluitende Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar [..]”) Hieruit blijkt duidelijk dat de toevoeging van het woord ‘ook’ in artikel 18, §2 van het verdrag wel degelijk zijn belang heeft. Het woord ‘ook’ is niet voor interpretatie vatbaar: het impliceert een gelijktijdige heffingsbevoegdheid.

De gelijktijdige heffingsbevoegdheid vloeit eveneens voort uit de cumulatief opgesomde voorwaarden voor heffingsbevoegdheid van de bronstaat. Zo is vereist dat het inkomstenbestanddeel in de woonstaat niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief wordt belast dan wel het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder dan 90% in de belastingheffing wordt betrokken. Deze voorwaarde gaat dus uit van een belastingheffing in de woonstaat, met name een belastingheffing tegen bijzondere (lager dan het progressief tarief) tarief dan wel dat minder dan 90% van het inkomstenbestanddeel in de belastingheffing wordt betrokken. Zonder Belgische (gunstige) belastingheffing kan er überhaupt geen heffingsbevoegdheid voor de bronstaat zijn.

In die zin, kan evenmin nuttig worden verwezen naar artikel 23, §1, a van het dubbelbelastingverdrag. Dit artikel bepaalt dat wanneer een inwoner van België inkomsten verwerft die in Nederland zijn belast, België deze inkomsten vrijstelt van belasting met progressievoorbehoud. Deze bepaling kan de facto niet worden toegepast, aangezien de heffingsbevoegdheid van de bronstaat onder meer afhankelijk is van effectieve heffing van de woonstaat. Het is immers enkel in het geval dat het aanvullend pensioen in de woonstaat aan gunstige belasting is onderworpen, dat één van drie cumulatieve voorwaarden voor heffingsbevoegdheid van de bronstaat is voldaan.
Hieruit volgt dat er in voorkomend geval sprake kan zijn van dubbele belasting. Hoe deze dubbele belasting moet worden bestreden, kan niet uit het verdrag worden opgemaakt. Feit is dat artikel 23, zoals hoger gesteld, dit euvel niet kan herstellen. Blijkbaar hebben de verdragspartijen hier te snel overgegaan en hebben zij niet stilgestaan bij de gevolgen van het uniek en complex pensioenartikel.

Ons inziens bestaat de oplossing voor de dubbele belastingheffing erin, dat de staat die in tweede, ondergeschikte, instantie heffingsbevoegd wordt, in casu de bronstaat, rekening houdt met de belastingheffing die plaatsvond in de woonstaat en deze verrekent.
Wij zien in onze praktijk dat artikel 18 van het Belgisch-Nederlands dubbelbelastingverdrag zowel langs Belgische als langs Nederlandse kant een problematische toepassing kent en vaak niet of niet correct wordt toegepast.
hits=2= / id=1999=