Het Belgisch bankgeheim ‘New Look’

In Archiefby robert

In tegenstelling tot Zwitserland en Luxemburg is het Belgisch bankgeheim niet strafrechtelijk beteugeld, maar vloeit het voort uit een vertrouwensrelatie tussen de bank en haar klant. Bovendien geldt het enkel maar voor inkomstenbelastingen en niet voor indirecte belastingen zoals bijvoorbeeld successierechten, BTW, beurstaks,….

In principe kan de Belgische fiscus geen informatie opvragen bij een bank met het oog op de taxatie van haar cliënten in de inkomstenbelastingen. Dit geldt zowel wanneer de bank zelf fiscaal gecontroleerd wordt, als wanneer zij ondervraagd wordt als een derde.
Hierop bestaat een uitzondering indien bij een controle van een bank vastgesteld wordt dat er een mechanisme van belastingontduiking voorbereid werd of bestaat. Zo’n mechanisme veronder-stelt een samenwerking tussen bank en belastingplichtige en heeft tot hiertoe nog maar zelden kunnen leiden tot de effectieve opheffing van het bankgeheim.

Twee redenen hebben ervoor gezorgd dat wetgeving rond het fiscaal bankgeheim in België recent werd versoepeld:
– Vooreerst de internationale druk om gemakkelijker tot informatie-uitwisseling over te gaan in het kader van dubbelbelastingverdragen, met inbegrip van bankgegevens. Om dit effectief mogelijk te maken was een aanpassing van de Belgische fiscale wetgeving noodzakelijk voor wat niet-inwoners betreft.
– Vervolgens het besluit van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie dat het fiscaal bankgeheim een efficiënte bestrijding van fiscale fraude in België verhindert.
Na heftige politieke discussies werd uiteindelijk een ingrijpende versoepeling van het bankgeheim goedgekeurd (wet van 14 april 2011 houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 mei 2011) .
Het principieel verbod om bij een fiscale controle van de bank zelf informatie in te winnen om klanten te belasten blijft behouden, maar de bank kan in bepaalde situaties en mits respect van een bepaalde procedure, als derde gevraagd worden om financiële inlichtingen te verschaffen over een klant.

Men kan moeilijk stellen dat het bankgeheim dood is, maar het werd wel in belangrijke mate afgebouwd. Anderzijds worden nu ook garanties ingebouwd om arbitraire vragen te vermijden en in zekere mate ook ter bescherming van de privacy.
Deze nieuwe regeling zal van toepassing zijn vanaf 1 juli 2011. Niettemin kan zij betrekking hebben op periodes die fiscaal nog niet verjaard zijn (dus tot en met 2004).

Twee nieuwe ingangsdeuren voor de fiscus
Van zodra er ‘aanwijzingen’ zijn dat een belastingplichtige belastingen ontdoken heeft, mag de fiscus bij banken inlichtingen gaan vragen over die belastingplichtige. De fiscus mag ook bij de bank aankloppen, als hij zich voorneemt om een aanslag te vestigen op basis van tekenen en indiciën.
De procedure van tekenen en indiciën is al lang gekend in ons recht en veronderstelt een opvallend verschil tussen uiterlijke tekenen van rijkdom van de belastingplichtige en zijn aangegeven inkomsten, zonder sluitende uitleg hiervoor. Bijvoorbeeld een zelfstandige die met een luxe-auto rondrijdt, terwijl hij slechts 50.000 euro aan beroepsinkomen aangeeft.

Het begrip ‘aanwijzingen van belastingontduiking’ is echter nieuw. Voorbeelden hiervan zijn onder meer: het niet aangeven van een bankrekening in het buitenland, zwartwerk, informatie (bijvoorbeeld in het kader van de spaarrichtlijn) waaruit blijkt dat inkomsten niet zijn aangegeven in België, valse facturen, …
Worden echter niet beschouwd als aanwijzingen van belastingontduiking, de materiële vergissingen in de aftrekbare uitgaven, een te late fiscale aangifte, een verkeerde juridische interpretatie van beroepsuitgaven,…

Maatregelen tegen misbruiken en ter bescherming van de privacy
Anderzijds worden ook procedureregels voorzien om arbitraire bankonderzoeken te voorkomen.
Niet gelijk welke ambtenaar kan een bankonderzoek toelaten. Hij moet minstens de graad van directeur hebben en machtiging verlenen om de vraag effectief te stellen. Hij zal de machtiging pas verlenen na onderzoek van het concrete dossier. En niet gelijk welke ambtenaar kan daarna de vraag effectief stellen aan de bank, enkel wie minimum de graad van inspecteur heeft.

Teneinde te vermijden dat de fiscus alle banken moet ondervragen, zal er een aanspreekpunt opgericht worden bij de Nationale Bank van België. In feite zal dus een databank gecreëerd worden waarin alle rekeningnummers en de namen van hun titularissen opgevraagd kunnen worden. Enkel de directeur zal deze databank kunnen consulteren. Er zullen ook contractnummers opgenomen worden. Deze zouden eerder verwijzen naar leasingcontracten en eventueel ook beleggingsverzekeringen, maar dit laatste is nog niet helemaal duidelijk.
De juiste werking van dit aanspreekpunt dient nog geregeld te worden bij Koninklijk Besluit. Verwacht wordt dat dit KB er nog niet zal zijn tegen 1 juli a.s.

Getrapte procedure
Ofschoon er dus twee nieuwe deuren zijn die een toegang bieden tot opvraging van bankgegevens, namelijk de indiciaire procedure en aanwijzing van belastingontduiking, zal de fiscus eerst, althans figuurlijk, nog enkele douaneposten moeten passeren om de deur te kunnen openen.
Zo moet hij eerst de informatie bij de belastingplichtige zelf gaan vragen en hem wijzen op een mogelijk bankonderzoek, indien hij ofwel weigert te antwoorden ofwel informatie verborgen houdt.
Enkel wanneer deze schriftelijke ondervraging van de belastingplichtige een verdere toepassing van de indiciaire procedure uitwijst of één of meer aanwijzingen van belastingontduiking opgeleverd heeft, kan de fiscus verdergaan.
Dit resultaat is noodzakelijk maar tegelijkertijd nog onvoldoende. Om de vraag effectief aan de bank te kunnen stellen is bovendien vereist dat de belastingplichtige ofwel zijn medewerking heeft geweigerd, ofwel gegevens verborgen houdt. Een duidelijk vermoeden is voldoende voor dit laatste. En dit zal nog een vette kluif voor advocaten bieden omdat dit een feitenkwestie is die betwist kan worden.

Wat zal de houding van de fiscus bijvoorbeeld zijn indien de belastingplichtige in het kader van eventuele valse facturen informatie geeft van alle betaalverrichtingen die via een bepaalde grootbank verliepen en de directeur daarna verneemt dat diezelfde belastingplichtige ook nog rekeningen heeft bij vier andere banken die niet vermeld worden in het antwoord van de belastingplichtige? Is dat op zich voldoende om te kunnen stellen dat de belastingplichtige informatie achtergehouden heeft?

Nuttige informatie om het belastbaar inkomen te bepalen
Eens de voornoemde ‘douaneposten’ voorbij, kan de fiscus aan de bank informatie vragen die nuttig is om het belastbaar inkomen te bepalen. Deze informatie kan dus ruimer zijn dan wat men oorspronkelijk beoogde. Zo kan de fiscus bijvoorbeeld op basis van deze inlichtingen tot de vaststelling komen dat de belastingplichtige spaarrekeningen aanhoudt bij vijf verschillende banken en hij hiervoor telkens de maximale vrijstelling van roerende voorheffing op interesten verkregen heeft, terwijl dit maar mogelijk is ten belope van maximum 1.770 euro. Het saldo van de overige interesten moet spontaan aangegeven worden in de personenbelasting. Dit kan dus leiden tot een (bijkomende) wijziging van aangifte van de betrokken belastingplichtige.

De vraag aan de bank dient in principe dezelfde te zijn als degene die aan de belastingplichtige gesteld werd, anders heeft deze laatste niet echt de gelegenheid gekregen om zich eerst te verdedigen.
Het blijft momenteel nog een open vraag of de grootbanken materieel de mogelijkheid zullen hebben om al deze voorwaarden te controleren. In praktijk zullen zij zich doorgaans beperken tot het nazicht of de machtiging van de directeur al dan niet toegevoegd werd bij de vraag om inlichtingen en zullen zij enkele kwantitatieve informatie doorgeven zoals cijfers, bedragen van verrichtingen, saldi van rekeningen en attesten die zij afgeleverd hebben.

Betwisting door de belastingplichtige zelf
De belastingplichtige dient in kennis gesteld te worden van het feit dat de bank een vraag om inlichtingen over hem krijgt. Deze kennisgeving verloopt in principe gelijktijdig met de vraag aan de bank, tenzij de rechten van de Schatkist hierdoor in het gedrang komen. Dan zal hij maar pas een maand nadien verwittigd worden.
Wat als de belastingplichtige niet akkoord gaat met de aanschrijving van de bank omdat hij bijvoorbeeld meent dat hij alle informatie aan de fiscus heeft gegeven? In dat geval valt hij terug op het gemeen recht en kan hij proberen om het onderzoek te stoppen door een procedure in kortgeding te starten voor de rechtbank van eerste aanleg.

Opvraging informatie door buitenlandse fiscus
Het betreft hier dus de opvraging van bankgegevens van niet-inwoners in België. Dergelijke vragen worden steeds geacht een aanwijzing van belastingontduiking te bevatten en hoeven dus geen voorafgaande machtiging van de Directeur. Zij hoeven ook niet eerst aan de belastingplichtige zelf gevraagd te worden (tenzij het recht van de woonstaat dit voorziet). Wat de situatie met Nederland betreft, herinneren wij eraan dat de opvraging van bankgegevens mogelijk is voor inkomsten betaald op toegekend vanaf 1 januari 2008.

Instellingen die vallen onder de nieuwe regeling
In principe de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen. Uit de rechtspraak blijkt dat ook leasingmaatschappijen hieronder kunnen vallen voor hun contracten met betrekking tot voertuigen. Verder zijn er juridische argumenten om te stellen dat ook verzekerings-maatschappijen hieronder kunnen vallen voor wat hun spaarproducten (takken 21, 23 en 26) betreft.

Zelfstandigen en vrije beroepers: opgelet
Verwacht wordt dat de nieuwe procedure vooral aangewend zal worden tegen zelfstandigen en vrije beroepers die fiscaal resident van België zijn en diensten verrichten of goederen leveren aan particulieren zonder factuur of met onvolledige factuur. Zij zijn het meest vatbaar voor een indiciaire procedure of een aanwijzing van belastingontduiking. In elk geval heeft de belastingplichtige er belang bij dat hij zijn volledige medewerking verleent indien hij een vraag om inlichtingen krijgt. Mocht hij bij andere instellingen nog rekeningen bezitten die niet relevant zijn voor het onderzoek, dan doet hij er wellicht goed aan om het bestaan van die rekeningen te vermelden teneinde betwistingen te vermijden over een mogelijke onvolledigheid van informatie.

Er zijn dus nog diverse open vragen. Hopelijk komt er snel een administratieve omzendbrief die meer duidelijkheid zal brengen over de werkwijze van de fiscus in deze aangelegenheid.
hits=2= / id=1990=