Reactie en naschrift op het artikel “Joop, Sien en de twee piratenschepen” . Loopt het schip van Joop en Sien toch nog op een fiscale klip?

In Archiefby robert

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de bijdrage “Joop, Sien en de twee piratenschepen” van professor Geelhand de Merxem in NederBelgischMagazine november 2010, pagina 78. De schrijver signaleert daarin diverse mogelijkheden om door middel van huwelijksvermogensrechtelijke constructies (“Casmanclausule”, “sterfhuisclausule” of “catamaran-structuur”) de kinderen in erfrechtelijk opzicht op afstand te houden zolang de langstlevende echtgenoot in leven is. Afgezien van dit aangename civielrechtelijke aspect, kunnen de constructies ook leiden tot een aanmerkelijke besparing van successierechten in België.
Wat schrijver evenwel over het hoofd lijkt te zien is, dat er een fiscaal probleem is indien de huwelijksvermogensrechtelijke constructie ertoe leidt dat de kinderen een vordering op hun langstlevende ouder krijgen. Een dergelijke vordering is immers niet ontstaan krachtens verdeling van een nalatenschap en wordt dus in Nederland – waar de kinderen veelal woonachtig zijn – in de vermogensrendementsheffing betrokken, hetgeen een fiscale schade van 1,2% per jaar oplevert. Aangezien van de kinderen nauwelijks verwacht kan worden dat zij de jaarlijkse inkomstenbelasting over een dergelijk “dood vermogen” zelf betalen, zal deze vermogensrendementsheffing in de praktijk voor rekening van de langstlevende ouder komen. In deze constructie zal de langstlevende ouders er dus niet aan ontkomen, het (weliswaar) Nederlandse fiscale piratenschip regelmatig een aantal dubloenen toe te werpen.
Hieraan valt overigens wel een mouw te passen door de huwelijksvermogensrechtelijke constructie niet geïsoleerd te beschouwen, maar deze eerst in werking te laten treden indien blijkt dat de kinderen een primair voorgestelde testamentaire regeling niet aanvaarden.

Naschrift
In het verhaal van Joop en Sien en de twee piratenschepen was het ons vooral om te doen met een beperkt aantal woorden een vrij volledig overzicht te geven van de Belgische –en derhalve wellicht minder bekende- technieken met het oog op de verzorging van de langstlevende echtgenoot.
Wat het –voor Nederbelgen wellicht minder bekende– piratenschip van de Belgische fiscus betreft, werden drie alternatieven geboden om de klip te “omzeilen”: de clausule-Casman, de sterfhuisclausule en het finaal verrekenbeding 0/100. De keuze voor de ene of de andere techniek zal afhangen van de concrete omstandigheden van de zaak, ondermeer of er kinderen in Nederland wonen. Is dit het geval, dan zullen wij uiteraard adviseren om te kiezen voor een finaal verrekenbeding 0/100 en niet voor een clausule-Casman.
Minister De Jager heeft overigens in zijn brief aan de Tweede Kamer van 14 september 2010 te kennen gegeven voldoende rechtvaardiging te zien om de defiscalisatie in de Nederlandse inkomstenbelasting uit te breiden tot alle vorderingen en schulden die ontstaan krachtens erfrecht dan wel de verdeling van een nalatenschap.
Greenille is momenteel bezig de Minister er van te overtuigen dat vorderingen die voortspruiten uit de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen economisch niet verschillen van vorderingen die voortspruiten uit de vermaking van de nalatenschap aan de langstlevende onder last de tegenwaarde er van schuldig te erkennen aan de nalatenschap, zodat ook deze “huwelijksvermogensrechtelijke” vorderingen gedefiscaliseerd zouden dienen te worden.
Tot slot nog dit: in het slot van het verhaal van Joop en Sien merkten wij op dat de materie van de huwelijksvoordelen voortdurend in evolutie is, zodat constant waakzaamheid en deskundig advies is geboden. Welnu: het Belgische Hof van Cassatie heeft op 10 december 2010 een arrest gewezen waarin de geldigheid, de kwalificatie als huwelijksvoordeel en de niet-belastbaarheid van de sterfhuisclausule wordt bevestigd.

hits=33= / id=1966=