Zorgverzekering naar het EU-Hof? Nederlandse gepensioneerden in het buitenland gehoord

In Archiefby robert

Onlangs heeft de hoorzitting voor de Centrale Raad van Beroep plaats gehad. Dit was het vierde proces die acht Nederlandse gepensioneerden in het buitenland voeren tegen de heffing van een zorgverzekeringsbijdrage. Het is de laatste kans. Is het andermaal ‘niet ontvankelijk??’ of een simpel ‘neen’, dan kunnen de gepensioneerden dit pad van gerechtelijke procedures niet verder meer bewandelen.

Op donderdag 15 januari 2009 togen eisers – die zich verenigen in de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland (SBNGB) – en hun advocaten naar de rechtbank in Utrecht. De tegenpartij is het College voor zorgverzekeringen (CVZ) dat de uitvoering van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) coördineert en financiert. Centraal stond de pleitnota van de advocaten van de stichting. U leest hier de belangrijkste punten die in het pleidooi aan bod zijn gekomen. In de acht proefprocedures die aan de Centrale Raad van Beroep zijn voorgelegd, zijn grof gezegd twee beroepgronden opgeworpen.

Eerste beroepgrond
Nederland mag geen Zvw-bijdrage inhouden op AOW uitkeringen gemigreerde gepensioneerden die zich niet hebben ingeschreven bij ziekenfonds woonland
De eerste beroepsgrond komt er kort gezegd op neer dat de Nederlands Staat niet bevoegd is een Zvw-bijdrage in te houden op de AOW-uitkering van gemigreerde gepensioneerden die zich niet hebben ingeschreven bij de ziekenkas van hun woonland met een E 121 formulier. Naar verluid hebben circa 18.000 gemigreerde gepensioneerden zich niet ingeschreven. De vraag of de Staat heffingsbevoegd is, hangt af van de interpretatie van de toepasselijke Europese verordening 1408/71 die de toepasselijkheid van sociale zekerheidsstelsel regelt.

Inschrijving
Het mechanisme van deze verordening is als volgt. Gemigreerde gepensioneerden hebben op basis van de verordening een recht op sociale zekerheid in hun woonland. Zonder inschrijving bij de ziekenkas kan dit recht niet worden geëffectueerd. Vanaf het moment van inschrijving kan het woonland een forfaitair bedrag in rekening brengen bij Nederland ter grootte van de gemiddelde kosten voor zorg van gepensioneerden in het woonland. Aangezien het een periodiek forfaitair bedrag betreft, omgeacht de omvang en het niveau van de daadwerkelijke verstrekkingen, ligt het verzekeringsrisico dus helemaal bij het woonland. Het forfaitair bedrag dekt het risico voor Nederland en werkt daarmee op vergelijkbare wijze als een verzekeringspremie.

Bijdrage ongeacht een inschrijving
De stelling in de proefprocedures is dat Nederland alleen mag heffen op grond van artikel 33 Vo. 1408/71 als de woonstaat kosten in rekening brengt (dus pas na inschrijving). Juist omdat Nederland niet het verzekeringsrisico draagt en binnen de systematiek van de verordening het woonland geen kosten in rekening mag brengen aan wie ook tenzij een inschrijving heeft plaatsgevonden, is er geen enkele rechtvaardiging binnen diezelfde systematiek om het pensioenland een free ride ten laste van individuele gepensioneerden te geven in situaties waar Nederland geen kosten draagt.
CVZ heeft hiertegen in gebracht dat inschrijving enkel van belang is voor het te gelde maken van het recht op verstrekkingen. De bepaling over de heffingsbevoegdheid van de pensioenlanden zou zo moeten worden uitgelegd dat ongeacht de inschrijving een bijdrage mag worden geheven. CVZ voert onder meer aan dat de lezing van gepensioneerden speculatief gedrag in de hand zou werken. De verschillende stelsels van de lidstaten zouden een speelbal worden van de gepensioneerden die naar believen daarin participeren.

Vermeende belangen
Het is echter onaannemelijk dat juist gepensioneerden gezien hun leeftijd en het daarmee gepaard gaande risico op zorgkosten, zouden wachten met het afsluiten van een verzekering tot zich daadwerkelijk een gezondheidsprobleem manifesteert. Bovendien trekt Nederland hier onterecht de belangen van de woonlanden aan. De belangen van de woonlanden dient Nederland zich vanuit een EG-perspectief niet aan te trekken. Een parallel kan worden getrokken met een arrest van het Hof van Justitie uit 1998 (Gourmetterie Van den Burg, zaak C-169/89). Een poelier werd veroordeeld voor het in bezit hebben van een Schots sneeuwhoen (“Scottish grouse”) in zijn koeling op basis van een invoerverbod van deze vogelsoort in de Vogelwet 1936. De beesten kwamen niet in Nederland voor, maar enkel in het Verenigd Koninkrijk. Daar stond de nationale wetgeving toe te jagen op de sneeuwhoenen. Sneeuwhoenen zijn geen beschermde dieren. Op grond van de Europese richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand mogen lidstaten onder omstandigheden strengere maatregelen treffen dan voorzien in deze richtlijn. Dit geldt echter alleen ten aanzien van op hun grondgebied levende soorten. Nederland had daarom niet de bevoegdheid maatregelen te treffen ter bescherming van het Schotse sneeuwhoen. Het was niet aan Nederland om vermeende belangen van Schotland waar te nemen.

De Centrale Raad van Beroep zal binnen 12 weken beslissen of over dit onderdeel wordt voorgelegd aan het Hof van Justitie in Luxemburg door prejudiciele vragen.

Belasting of premie
Een nieuw argument dat in de proefprocedures naar voren is gebracht is dat Nederland ook niet bevoegd is te heffen aangezien Nederland de heffingsbevoegdheid heeft weggeven in de bilaterale belastingverdragen die gelden. Verdedigbaar is dat de Zvw-bijdrage die wordt ingehouden op de AOW-uitering ook kwalificeert als een belasting onder de belastingverdragen. De definitie van een belasting is een heffing die geen rechtstreeks verband houdt met een voordeel zoals een verzekering. Juist indien het standpunt van CVZ juist zou zijn dat de Staat een bijdrage mag heffen van gepensioneerden die niet zijn ingeschreven bij het ziekenfonds van de woonland, dan vloeit daaruit voort dat de bijdrage als een belasting moet worden aangemerkt. Het belastingargument gaat echter ook op voor de gemigreerde gepensioneerden die zich wel hebben ingeschreven bij het ziekenfonds van het woonland. In een recent arrest van het Hof van Justitie (Derouin, C103/06) is uitgemaakt dat toepasselijke regels inzake sociale zekerheid niet in de weg staat aan gelijktijdige toepassing van belastingverdragen op diezelfde casuspositie. Op grond van de toepasselijke belastingverdragen heeft het woonland de bevoegdheid om over de pensioeninkomsten een bijdrage te heffen en Nederland dus niet. Als gevolg hiervan kan de Zwv-bijdrage niet door Nederland worden geheven.

Tweede beroepgrond
Woonlandfactor in strijd met gelijkheidsbegsinsel en kwalificeert als bestuurlijke daad van willekeur
Op de Zwv-bijdrage vindt een correctie plaats, de zogenaamde woonlandfactor. Deze woonlandfactor is ingevoerd nadat de oorspronkelijke bijdrageregeling in kort geding als onmiskenbare schending van het gelijkheidsbeginsel is aangemerkt. Het zorgniveau in Nederland is hoger dan in de meeste andere lidstaten door de AWBZ. Het is daarom niet fair om van gemigreerde gepensioneerden een bijdrage te vragen, waarin AWBZ kosten zijn meegenomen.

Juiste vergelijking
Nu kijkt Nederland voor de woonlandfactor als correctie op de bijdrage naar het verschil tussen de gemiddelde kosten voor zorg aan de gehele bevolking in Nederland en in het woonland. De gehele regeling van artikelen 28 e.v. Vo. 1408/71 is ingericht voor uitsluitend gepensioneerden. Deze discrepantie tussen de berekeningsgrondslag voor de forfaitaire bijdragen en de correctie op de Zvw-bijdrage is in de proefprocedures aan de kaak gesteld. De woonlandfactor zou gebaseerd moeten zijn op een vergelijking van de gemiddelde kosten voor zorg aan gepensioneerden in Nederland met de gemiddelde kosten voor zorg aan gepensioneerden in het woonland.
CVZ heeft aangevoerd dat de berekeningsgrondslag van de woonlandfactor enkel terughoudend getoetst mag worden en dat bij een beperkte toets geen sprake is van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Het kortgedingvonnis heeft de Minister de mogelijkheid geboden deze ongelijke behandeling te repareren. De ernst van de schending van het gelijkheidsbeginsel van deze regeling is lager dan die van de oorspronkelijke regeling. Dit neemt echter naar de mening van de gepensioneerden niet weg dat de rechtbank ook de reparatieregeling inhoudelijk had moeten toetsen.

De Centrale Raad van Beroep doet binnen 12 weken na het pleidooi een uitspraak over dit onderdeel van geschil.

hits=3= / id=1620=